21 dagen niet eten, daar krijg je pas veel energie van

Tenminste dat vindt reizende ster in de yogawereld Oberom (28). „De eerste twee dagen put het je uit, daarna creëert het lichaam zelf nieuwe energie”, zegt de Braziliaan die nu voor een paar dagen in Nederland is. Hij vastte voor het eerst op zijn zeventiende. Nu leeft hij alleen nog op sappen.

‘En nou iets over je eigen ervaringen. Het is allemaal theorie!” De lange man in knallend kleurenoverhemd heeft er opeens genoeg van. Oberom heeft ons nu anderhalf uur onderwezen in de principes van het ‘pranisch’ bewustzijn – hoe je er kunt geraken, welke gelukzalige leegte het herbergt – maar gedroeg zich tot nu toe als een verlicht jonger broertje van Al Gore. In aarzelend Portugees, live vertaald door een tolk die met dichte ogen naar hem staat te luisteren, leidde hij ons met behulp van Gandhi, Khalil Gibran en Jezus Christus richting Licht.

We zijn in de Amsterdamse Club Lite, waar de gordijnen dicht zijn en een penetrante wierookgeur hangt, en luisteren naar een 28-jarige Braziliaan die onder yogi’s bekendstaat als poster boy van een zo rein mogelijke levensstijl. Alles draait om Licht, volgens hem. Wie zich vult met Licht heeft niets anders meer nodig. Alles is er al, de wereld is perfect. Maar hoe weet hij dit zo zeker? En leeft hij zelf inderdaad van Licht alleen, zoals hij promoot?

Om bij dat laatste te beginnen: nee. Maar Oberom eet ook niet. Hij drinkt. Sinds 2001 leeft hij op sappen. Hij maakt ze zelf of koopt ze, als hij op reis is en het niet anders kan. Zijn gezondheid lijdt er niet onder, althans niet zichtbaar: ogen en huid glanzen, en hij is rank, maar niet mager. Maar is het niet fnuikend voor zijn sociale leven, vraag ik hem in de pauze. Al te rigide voedselvoorschriften zijn nergens ter wereld een goede start voor een gast aan tafel. Nee, zegt hij – hij heeft het geluk dat zijn familie en vrienden zijn keuze respecteren en hem er soms zelfs in volgen. Voor de meeste mensen geldt dat niet, dat snapt hij. Die raadt hij een veganistisch dieet aan.

Zijn niet-eten boodschap gaat, blijkt uit de tweede, iets geanimeerder helft van zijn voordracht, vooral over balans. Evenwicht. Fysiek en emotioneel.

De mens lijdt onder zijn ego, dat hem doet geloven dat hij een afzonderlijk wezen is, met een verleden en een toekomst, noden en behoeften. Allemaal niet waar. We zijn allen één, met z’n zeven miljard, en wie zijn individuele verlangens bevredigt, zal op den duur merken dat het niet genoeg is. Zo is het ook met eten: we hebben zin in een ijsje of een biefstuk, forceren de omstandigheden tot we er eentje hebben bemachtigd, en na consumptie willen we er nog een. Het was een kort, sensueel pleziertje, meer niet. We zijn nog net zo leeg als daarvoor.

Televisie is een groot kwaad, aldus Oberom, omdat het precies die vluchtige, sensuele verlangens in ons wakker maakt: wie op tv een ander grijnzend in een Big Mac ziet bijten of in een flitsende nieuwe wagen ziet rijden, wil dat zelf ook. „Ik niet”, interrumpeert een dame uit het publiek fel. „Ik ben verslaafd aan tv, maar ik zie nooit reclame. Ik kijk mooie natuurprogramma’s en goede documentaires.” Oberom glimlacht fijntjes. „Blijf even op mijn spoor”, zegt hij. Hij had het net al over dharma, het individuele pad dat elk mens moet gaan; hij vergeleek het met een trein die geen bestuurder nodig heeft. Wie zijn ego achter het stuur laat, raakt van de rails. Kennelijk heeft ook zijn lezing een dharma.

TV is slecht dus, net als bars en alcohol, geweld, angst, lijden en negatieve praat. Op dit laatste gaat hij uitgebreid in: wie kwaad spreekt, verspilt zijn kostbare adem aan een slechte vibratie die door het hele universum voelbaar is. Wie goed spreekt, helpt zichzelf en anderen in een hoog, positief bewustzijn te blijven. En hoe positiever, hoe gelukkiger.

Zelf bracht Oberom op zijn zeventiende voor het eerst 21 dagen zonder voedsel door, samen met zeven familieleden. Ze woonden op een commune in Zuid-Brazilië waar zo simpel en harmonieus mogelijk leven nog altijd het streven is; voor Oberom blijft het zijn thuisbasis. „De eerste week draait om het lichaam”, vertelt hij. „Dan mag er niets door je mond komen, ook geen vloeistof. Dat put je de eerste twee dagen uit, maar op de derde dag verandert er iets: dan begint het lichaam zelf nieuwe energie te creëren. Dat is prana. Je ego moet al zijn maskers afleggen, totdat je het helder kunt zien. Je hebt er afstand van genomen.”

„De tweede week mag je weer drinken: vruchtenconcentraat met water, minimaal 1,5 liter per dag. Er is geen maximum, maar te veel drinken is een valkuil: dan speelt je ego weer op. Je moet bewust blijven, ook in de derde week, als het vruchtenpercentage wat omhooggaat. Tegen het eind voel je je sterk en denk je dat je je ego hebt overmeesterd. Dat is de grootste valkuil.”

Het werk is nooit af, aldus de meester; teleurstellend bijna, maar ook Oberom is nog dagelijks bezig om zijn ego in toom te houden. Maar hij is gelukkig, zegt hij. We beginnen het te geloven – in zijn onverstoorbare manier van vertellen, schuilt een kracht die ons allemaal even de tijd deed vergeten. Dit willen wij ook wel. En als de weg erheen langs een tijdelijk lege maag leidt, zullen we het knorren negeren.