Hunkering naar aardse wortels

Wat zijn de kleine verhalen waar de moderne mens in gelooft? Wekelijks vertelt Arjen van Veelen zo’n moderne mythe. Vandaag: de kleine boer.

Laatst sprak ik een Nederlandse boer. Vreemd: driekwart van ons land bestaat uit landbouwgrond, maar boeren ken ik vooral van televisie en van de plaatjes op melkpakken. Alleen op vakantie, als je cider of honing bij ze koopt, zie je ze van dichtbij. Raadselachtige wezens zijn het, met andere ogen en handen, een ander huidtype. Thuis zie je ze soms vanuit de auto, stipjes in de verte die op erven en akkers iets verrichten.

„De boeren leven als sfinxen onder ons.” Die zin vond ik een stukje van essayist Menno ter Braak (1902–1940). Hij schrijft over de stadsmens die gefascineerd is door de boer, juist omdat die boer zo onbegrijpelijk is: een ‘achterlijk’, middeleeuws residu, ver weg van de „ontmantelde vesting, die men stad noemt”.

Dat schreef hij ergens in de jaren dertig, een tijd van mechanisering en verstedelijking. Juist toen verschenen er allerlei streekromans waarin de boer – letterlijk – werd geromantiseerd.

Is het nu anders? Het wellicht best bekeken televisieprogramma van onze tijd draait om romantiek en boeren. De boer is niet meer ‘boers’, maar puur, eerlijk, idyllisch. Terwijl de boer foetert en ploetert, terwijl boerenbedrijven bij bosjes klappen – ‘de boerderij krijgt een spuitje’, zingt Roosbeef – groeit intussen onze romance. We willen vrije uitloop en koeien in de wei. ‘Nederland is weiland’, staat er op Campina-melk. ‘Eindeloos weiland met dauwfris gras.’ Maar Nederland is stad, vol stadsmensen die het sprookje omarmen van het landleven, en vanavond is het toetje Boer’n Yoghurt Aardbei.

In die steden zoemt het van stadslandbouw, buurtmoestuinen, urban farming, rauwe tuinen, gemeenschapstuinen. Rotterdam heeft een ‘dakakker’ vlakbij het Centraal Station, men mijmert in Utrecht van urban farming op Hoog Catharijne, particulieren priegelen met minimoestuintjes – er staat nog net geen paard in je gang, maar al wel tomatenplanten op je balkon.

Dat ik laatst een boer sprak, is dankzij Albert Heijn. Op een pak puur & eerlijk-melk zat een stickertje: ‘Kom naar de Open Dagen’. In het foldertje een groepsfoto van boeren en telers: eentje met een koe, eentje met drie bloemkolen, weer een ander met een kip op schoot; een fraai tableau. Daarboven wapperde onze vlag.

‘Hollandse Helden’, schreef Appie, de ‘gezichten achter de Hollandse versproducten’. Helden als de familie Van der Laan uit Kamerik, de familie Agterberg uit Tjuchem, de familie Brandsma uit Oudemirdum – op de website had ik de keuze uit in totaal ruim 175 boeren.

Ik koos familie Van Rijn te Hoogmade, een dorpje niet ver van Leiden, langs het riviertje de Does. ‘Buitenverwachting’, zo heette hun kleinschalige bedrijf, 32 hectare, met onder andere koeien, varkens, eenden, bijen, kliswortel, zonnepanelen, verjaardagsfeestjes, silenesla.

Albert Heijn toonde ons geen mega-varkensstal, maar een lieflijke modelboerderij. Je kon er brocante kopen en schapenvacht. Er lag groente uitgestald: een tas vullen voor 5 euro. Een koe adopteren: 50 euro. Dan steunde je een terugfokprogramma voor de Blaarkop, een lokaal ras uit de jaren vijftig – een retrorund.

Hoewel ik hier nooit eerder geweest was, schonk het tafereel me een wonderlijk, warm thuisgevoel, dat deed denken aan vroeger, en aan het bordspel Boer Krelis.

Ik sprak Corneel van Rijn, een van de twee zoons, een zeer vriendelijke, welbespraakte boer van begin dertig. Op zijn T-shirt de tekst ‘Natuurlijk biologisch’. Hij was van de zesde generatie. Had eerst filosofie gestudeerd, Heidegger, aanvankelijk geaarzeld over het boerenbestaan, maar zag er nu toch heil in.

Dat boerenbestaan is ‘multifunctioneel’, net als vroeger, al bestond dat woord toen niet. En de functies zijn ook veranderd: hij doet nu mee aan de Boerendagen van Campina en aan Koe Alert, een e-mailservice die attendeert op de koeiendans, als de koeien weer de wei in gaan; vroeger een familiegebeuren, nu een spektakel met 600 bezoekers. De boerderij heeft een een YouTube-kanaal en een Twitteraccount. Daar lees je over Olga, de bonte bentheimer, Klaartje, de bruine kip en Alfred, het eendenkuiken.

Positief dat Albert Heijn aandacht schenkt aan de boeren, vond hij, als het maar meer is dan marketing; de kleine boeren werken nu vaak voor een schamel loon. Maar, zo’n dag was goed om mensen over de vloer te krijgen.

De boer leeft niet langer „als een sfinx” onder ons, maar geeft Open Dagen en zit op Twitter. En de stedeling, zijn klant, wil alvorens hij eet eerst de naam van de boer kennen. Liefst ook de naam van de kip.

Die stadsmens is verzot op eigen bodem. Lokaal is magisch. Daarom vind je in de winkel zo veel streekproducten, bijvoorbeeld van Gijs® (‘gerookte spekreepjes van Hans-Arjan Stoker uit Veenwouden’) of Willem & Drees (‘Aardbeien van Arie Verheij uit Lopikerkapel’). In de luxe supermarkt Marqt hangen borden met teksten als ‘We kennen onze veehouders goed.’

Een jaar of zeven geleden ontstond het woord ‘locavoren’, voor mensen die voedsel prefereren van lokale grond. Dat reduceert het aantal ‘voedselkilometers’, was de gedachte, en dat is goed voor het milieu. Of dat echt zo is, wordt sterk betwijfeld. Maar interessanter dan dat debat: er zijn nog veel sterkere krachten actief die de hang naar de lokale markt en boer verklaren, veel meer dan enkel milieubesef.

De kleine boer is in de loop der tijden voor het karretje gespannen van allerlei ideologieën. Ter Braak schreef over de stedeling, die het landleven romantiseerde. In die tijd was ook de nationaal-socialistische ideologie in opmars, die de boer idealiseerde omdat die zo puur en eerlijk was, zo geworteld in de grond waarop hij leefde – Blut und Boden. Een nazi-landbouwminister pleitte zelfs voor biologische veeteelt, vrije uitloop en biologisch-dynamische boeren, las ik in het blad Alert!, van de Anti-Fascistische Actie.

Tegenwoordig zijn het niet zozeer de extreem-rechtse, maar vooral de linkse mensen die de kleine boer idealiseren. En omdat er zoveel linkse mensen zijn, en er dus een markt is, heeft ook het kapitalisme nu oog voor puur & eerlijk.

Maar dat we Opperdoezer-aardappelen kopen, is niet per se omdat we rechts zijn, of links – door al deze ideologieën loopt dezelfde rode draad: een krachtige hunkering van de stedeling naar wortels die ons verbinden met de buurt en de grond. Bij de lokale boer vind je niet alleen honing en silenesla, maar vooral de worteling die je zelf was kwijtgeraakt: een vreemd gevoel van thuis, een weerzien met een uit het oog verloren vriend, de sensatie van aarde onder je nagels en grond onder je voeten.