Het vagevuur van België

De kloosterzusters van Malonne richten zich van oudsher op het zieleheil van zware criminelen. Dat ze Michelle Martin nu onderdak geven, past in die traditie. Maar financieel gezien kan het besluit rampzalig uitpakken.

Correspondent België

In het Clarissenklooster van Malonne, bij de Waalse stad Namen, is de eucharistieviering op zondag niet meer openbaar. Je krijgt in het gastenverblijf van het klooster ook niet zomaar meer een kamer.

Op de Rue des Monastères staan dranghekken, er is politie.

De elf zusters in het klooster trokken zich lang geleden terug uit het wereldse leven om te bidden. Maar wat moet je als dat leven zich opeens opdringt en de hele buitenwereld zich met jóú wil bemoeien?

Een paar uur nadat bekend was geworden dat de Clarissen van Malonne bereid waren om onderdak te geven aan Michelle Martin, ex-vrouw en medeplichtige van kindermoordenaar Marc Dutroux, werden de muren van hun klooster beklad met groene verf: ‘Non, non, M.M.’ De nonnen werden bedreigd, hun klooster zou in brand worden gestoken.

Het Belgische Hof van Cassatie onderzoekt nu of er bij de beslissing over Martins voorwaardelijke vrijlating procedurefouten zijn gemaakt. Morgen komt het oordeel: als alles in orde was, kan Michelle Martin (52), die werd veroordeeld tot dertig jaar cel en nu zestien jaar vastzit, verhuizen naar het klooster.

Daar staan haar meubels al klaar. In het tijdschrift Paris Match vertelde een neef van Martin dat hij in 2001 tafels, stoelen en wat huishoudelijke apparatuur naar het klooster in Malonne had gebracht omdat zijn tante hem dat had gevraagd. Martin had de spullen geërfd van haar moeder.

Beseften de elf Clarissen, die bijna nooit op straat komen en zo’n negen uur per dag bidden, van tevoren wat hun beslissing zou losmaken in België en wat hen dan zou overkomen? De vader van een slachtoffer van Dutroux had een gesprek met de abdis en zei daarna dat de nonnen er geen idee van hadden wie Martin precies was. Hij had de zusters „geconfronteerd met harde dingen”. Maar de nonnen bleven bij hun beslissing.

De historica Anne-Dolorès Marcélis, die in 2004 promoveerde op een onderzoek naar vrouwelijke kloosters in Wallonië en acht maanden lang bij de nonnen in Malonne over de vloer kwam, zegt dat het haar juist opviel hoe goed de vrouwen wisten wat er gebeurt in de wereld. „Bij het avondeten is er altijd één zuster die de krant voorleest. Ze hebben La libre Belgique en Le Soir. En één keer in de week kijken ze samen naar het televisienieuws.”

Marcélis deed onderzoek in het archief en interviewde de nonnen. Die zijn eraan gewend, zegt ze, om uitvoerig te discussiëren over elke beslissing die ze nemen. „Er is dan altijd een zuster die aantekeningen maakt. En vaak wordt er gestemd.”

De orde van de Clarissen is in België vooral bekend van een oude gewoonte: als je voor je huwelijk eieren naar het Clarissenklooster brengt, is de kans groter dat je mooi weer hebt op je trouwdag.

De meeste Clarissen in Malonne zijn tussen de zestig en tachtig jaar oud en komen uit België, Frankrijk, Zwitserland en Polen. Een van hen is opgeleid tot bioloog, een andere is verpleegkundige, er zijn ook onderwijzeressen bij. De vrouwen volgen de regels die de Heilige Clara van Assisi in de dertiende eeuw bedacht voor haar eigen kloosterorde – naar het voorbeeld van Franciscus van Assisi. De nonnen leven met zo weinig mogelijk bezittingen en zijn een zogenoemde contemplatieve orde: ze doen niet aan goede werken, ze hebben zich teruggetrokken om te bidden.

Het klooster in Malonne was het eerste waar Anne-Dolorès Marcélis onderzoek kwam doen voor haar proefschrift. „Ik had gedacht dat ik mooie antieke spullen zou zien. Maar ze hebben alleen goedkope, tweedehands meubels.” Bij de ingang is het gastenverblijf met kleine slaapkamers en een eetkamer. Daar is altijd een zuster die oplet wie er binnenkomt. De gasten hebben een eigen tuin. In de ruimte daarachter wonen de nonnen die nooit onder de mensen komen. Boodschappen laten ze aan huis bezorgen.

Marcélis was niet helemaal verrast geweest toen ze hoorde dat de nonnen Michelle Martin wilden opnemen. Het past in hun traditie, zegt ze, om contact te zoeken met zware criminelen en ter dood veroordeelden. „Dat deden de Clarissen in de Middeleeuwen al”, zegt Marcélis. „Maar dan alleen in die zin dat ze voor hen gingen bidden. Ze wilden op een mystieke manier hun leven geven om deze mensen te bekeren.”

Maar een veroordeelde in huis nemen? „Dat is iets doen en dat begrijp ik niet helemaal. Omdat het niet past bij hun roeping. Ze laten nu opeens twijfels toe over de scheidslijn tussen bidden en handelen.”

In een brief aan de vader van Eefje Lambrecks, een van de slachtoffers van Dutroux, schreven de nonnen zelf dat ze aan hun „missie voorbij zouden gaan” als ze Martin níét in huis wilden hebben. Er stond ook: „Wat zou de wereld zijn als niemand die ooit een misstap heeft begaan, nog een toekomst is gegund?”

In Malonne waren ze altijd al anders dan de andere Clarissen in België. De eerste nonnen die in Malonne kwamen wonen, in 1903, kwamen uit Frankrijk, omdat ze daar veel last hadden van anti-klerikale wetten. Ze kenden niemand in België en volgden niet, zoals de andere Clarissen in het land, de kloosterregels die in de vijftiende eeuw waren bedacht door een andere heilige: Coleta. Die had de armoederegels van Clara van Assisi, die door de paus waren verzacht, weer strenger gemaakt.

„In Malonne dachten ze zelf veel na over armoede, bezit en consumptie”, zegt Marcélis. De nonnen praatten er vaak over en bedachten hoe ze het beste konden leven. Konden ze bijvoorbeeld de afwas niet afdrogen met oude kranten? „Het gaf hun een vitaliteit die aantrekkelijk bleek te zijn: in de jaren zestig hadden ze een aanwas die je nergens anders zag.”

De zusters waren arm. Soms leden ze ook honger, maar niet uit vrije wil. Ze kregen het zwaar toen een Vlaamse textielondernemer die hen steunde in de jaren dertig failliet ging. Later was er een middelbare school die hun het eten gaf dat overbleef van de lunch. Maar het Tweede Vaticaans Concilie besliste in de jaren zestig dat kloosterordes niet meer mochten bedelen – het eten konden de nonnen niet meer accepteren.

Marcélis vond aantekeningen van discussies die de Clarissen daarover hadden. „Geld was altijd een probleem. Ze openden een gastenverblijf, maar dat was nog niet genoeg.” De vrouwen dachten erover na of ze hun diploma’s moesten gebruiken. Maar ze konden niet voltijds werken omdat ze bijna de hele dag aan het bidden waren. En het was niet de bedoeling dat ze buiten kwamen.

De vrouwen gingen stropdassen naaien, ze zochten secretaressewerk dat ze in het klooster konden doen, ze aten groenten uit hun moestuin en hielden kippen en schapen. Maar pas toen de oudere vrouwen in de jaren zeventig een pensioen kregen, werd hun leven wat gemakkelijker.

Nu ze niet meer elke gast in hun klooster durven te accepteren, omdat Michelle Martin of zijzelf gevaar lopen, verliezen ze inkomsten uit het gastenverblijf. En zullen ze hun stropdassen straks nog kunnen verkopen?

Op steun van andere Clarissen in België hoeven ze, zo lijkt het, niet te rekenen. In De Standaard zei de abdis van het Clarissenklooster in Genk dat de zusters in Wallonië maar beter „openlijk vergiffenis kunnen vragen voor wat ze de bevolking hebben aangedaan”. En Martin moet dan maar in de gevangenis blijven. Want, zei ze: „Iets wat zoveel tegenkanting oproept, kan niet goed zijn.”