De eerste man op de maan was een held die 'gewoon zijn werk deed'

De man

Neil Armstrong landde elders op de maan dan gepland, met nog maar 20 seconden brandstof: de prestatie van een stoïcijn, verslingerd aan vliegen – niet aan lopen, en niet aan aandacht.

Neil Armstrong gaf niet vaak lezingen, maar in mei vertelde hij in Australië over zijn ijselijke, twaalf minuten durende afdaling naar de maan. In de Eagle-landingscapsule, met Buzz Aldrin, op 20 juli 1969. „De computer toonde ons waar hij ons wilde laten landen, en het was een heel slechte plek, op de rand van een grote krater met een diameter van 100 tot 150 meter en met steile hellingen vol rotsblokken. Echt helemaal verkeerd.”

Armstrong nam dus de besturing over en zette de Eagle als een helikopter op een verderop gelegen vlakte neer, met nog net genoeg brandstof over voor 20 seconden vliegen.

De rest is geschiedenis: Armstrong zette als eerste mens voet op de maan en de zin die hij daarbij uitsprak, „That’s one small step for [a] man, one giant leap for mankind”, werd een gevleugelde uitdrukking.

Het lijkt passend dat die lezing in Australië – de laatste publieke toespraak van Armstrong – voor een onbekende club boekhouders was; zijn vader was boekhouder geweest voor de Amerikaanse staat Ohio. Maar bovenal vertoonde Armstrong zich alleen op plaatsen waar de schijnwerpers niet zo fel straalden.

Armstrong hield niet van publieke belangstelling. Tot teleurstelling van sommige NASA-bestuurders die graag hadden gezien dat hij reclame maakte voor de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie. „Ik denk dat Neil besefte dat de glorieuze daad die hij in 1969 voor zijn land verrichtte – voor de hele planeet eigenlijk – onvermijdelijk aan glans zou inboeten als hij meedeed aan de schreeuwerige commercialisering van de moderne wereld”, zei Armstrongs biograaf James R. Hanssen daarover.

Het was natuurlijk juist ook wégens zijn rustige onverzettelijkheid dat Armstrong voor de gevaarlijk maanmissie werd verkozen. Uit verslagen en interviews rijst het beeld op van een stoïcijn die verslingerd was aan vliegen.

Armstrong, op 5 augustus 1930 geboren in Wapakoneta (Ohio), haalde zijn vliegbrevet al op zijn 16de verjaardag, nog voor zijn rijbewijs. In 1949 werd hij als dienstplichtige naar Korea gestuurd waar hij tijdens de Korea-oorlog 78 vluchten uitvoerde en één keer werd neergehaald. Na zijn terugkeer studeerde hij ruimtevaarttechniek aan Purdue University en de University of Southern California.

Hoe koelbloedig Armstrong bleef onder benarde omstandigheden bleek tijdens zijn eerste NASA-ruimtemissie, maart 1966, met de Gemini-8. Toen dat ruimteschip hoog in de ruimte in een ogenschijnlijk niet meer te keren tolbeweging raakt, redde Armstrong zijn bemanning en zichzelf door alle stuwraketten uit te schakelen en daarna extra stuwraketten te starten die alleen voor de terugkeer in de dampkring waren bedoeld.

Al even kalm stond hij drie jaar later tegenover de missie naar de maan. Cruciaal was om veilig op het maanoppervlak te landen en er weer van op te stijgen, wist hij. Wie daarna de eerste stap op de maan zette en wat het algemeen publiek daar zoal over dacht, kon hem niet schelen. Ook achteraf dus niet. Aldrin en hij hadden het op de maan te druk gehad om erg op hun omgeving te letten, benadrukte hij steevast. „Piloten houden niet speciaal van lopen”, zou hij ooit volgens de Amerikaanse krant The Washington Post gezegd hebben. „Piloten houden van vliegen.”

Na zijn spectaculaire vlucht naar de maan, door 700 miljoen mensen live op televisie gevolgd (destijds een vijfde van de wereldbevolking), werkte Armstrong nog twee jaar bijNASA. Vervolgens was hij acht jaar lang hoogleraar ruimtevaarttechniek aan de universiteit van Cincinnati, en daarna had hij tot 2001 leidinggevende posities in het bedrijfsleven.

Eergisteren maakten zijn vrouw Carol, zijn twee zoons en twee stiefkinderen, bekend dat Armstrong in de nasleep van een hartoperatie was overleden. Een „held tegen wil en dank”, noemden zij hem, „die zelf altijd geloofde dat hij gewoon zijn werk had gedaan.”