Voor de koningin, het vaderland en zijn gezin

De Jonge, op zijn honderdste verjaardag. Foto Familiearchief

Marien de Jonge leefde ten eerste voor de koningin, ten tweede voor het vaderland en ten derde voor zijn gezin. Als Engelandvaarder en Indiëveteraan werd hij behangen met militaire onderscheidingen. En op 95-jarige leeftijd werd hij nog schrijver. „Markant, integer en moedig”, noemt Jan Maurits de Jonge, de oudste van de vijf kinderen zijn vader. „Iemand die zich voor de volle honderd procent inzette voor zijn land en zijn idealen.”

Na hun jeugd in Semarang en Baarn gingen Marien en zijn broertje Ernst rechten studeren in Leiden, zoals vanzelfsprekend was voor jonkheren De Jonge. Daarna ambieerde Marien een carrière in het openbaar bestuur. Burgemeester worden, dat leek hem wel wat.

Totdat twee weken na de geboorte van zijn eerste zoon de Duitse troepen binnenvielen. De jonge vader „liep rond als een gekooide leeuw”, vertelde Jan Maurits op de begrafenis. Na overleg met zijn vrouw Corrie vertrok hij direct na de capitulatie op de fiets naar Scheveningen. Daar bemachtigde hij een plek aan boord van een bootje met Delftse studenten en een veertigtal Joodse vluchtelingen.

In Engeland sloot De Jonge zich aan bij de Nederlandse troepen, de latere Prinses Irene Brigade. Na de aanval op Pearl Harbor vertrok hij voor de rest van de oorlog naar Zuidoost Azië.

Toen hij terugkeerde naar Nederland, was zijn zoontje bijna zes. Negen maanden later werd een tweede zoon geboren, Ernst. Vernoemd naar zijn jongere broer die de oorlog niet overleefd had. Die Ernst de Jonge – volgens Marien getalenteerder dan hijzelf – was ook in Engeland terecht gekomen en daar opgeleid tot geheim agent. In bezet Nederland werd hij opgepakt. Het laatste wat van hem is vernomen, is een registratie in het Poolse kamp Rawitsch in 1944.

Na de oorlog vertrok die „man met een imposante kin en grote snor” – zoals de zesjarige Jan Maurits hem zag – al snel naar de volgende oorlog voor het vaderland: die in Nederlands-Indië.

Terwijl de meeste dienstplichtigen en vrijwilligers na die oorlog niet wisten hoe snel ze de dienst moesten verlaten, besloot Marien de Jonge beroepsmilitair te worden. Uit de stellige overtuiging dat de Derde Wereldoorlog elk moment kon uitbreken. Toen een echte oorlog in Europa uit bleef, werd hij onder meer adjudant van de koningin en militair attaché in Brussel.

Ruim na zijn pensionering schreef De Jonge een boek over zijn bijdrage aan de politionele acties. Niet om er een oordeel over te vellen, maar om te vertellen wat er gebeurd was.

Dit boek, Mijn Ruiters, is geroemd om zijn historische waarde, maar ook vanwege de parallellen die het legt met de oorlog in Afghanistan. De ongelijke strijd tegen de guerrilla, de olievlekstrategie, de bermbommen die toen trekbommen heetten. En militairen die in politieke opdracht denken het juiste te doen, maar daar later in de samenleving om verguisd worden.

De Jonge overleed vorige maand, 100 jaar oud, thuis in Den Haag.