Column

Toeristische lachstuipen

Foto AFP

Precies 78 jaar geleden was Menno ter Braak (groot essayist uit de vorige eeuw) met vakantie in het Berner Oberland. Daarover heeft hij in het dagblad Het Vaderland toen een stukje geschreven dat in zijn Verzameld Werk is opgenomen. Ik dacht dat het deel drie was, zocht en zocht en kon het niet vinden. Toch maar even Google geraadpleegd. Deel vier! Twee keer de volledige tekst. Respect voor de digitale revolutie. Maar ik geef de voorkeur aan de papieren versie.

Het gaat om deze passage. „Men herkent de Hollanders op het eerste gezicht; ten eerste door hun verbijsterend groot getal en ten tweede door de wijze waarop zij bijeengroepen en dan weer uit elkaar gedreven worden door lachstuipen.” (pagina 556). Wat dit aangaat is er niet zo veel veranderd. Hollandse toeristen die in groepen op reis gaan, hebben een eigenaardig gevoel voor humor. Er komt op z’n minst één ogenblik waarop ze door lachstuipen uit elkaar worden gedreven. Dat had Ter Braak goed gezien.

Iedere nationaliteit heeft haar eigen toeristische hebbelijkheden. In het centrum van Amsterdam zie je in deze tijd vaak groepen Duitsers lopen, wat oudere mensen, aangevoerd door iemand die een bord aan een stok draagt. Gruppe zwei. Van de ene bezienswaardigheid naar de andere. Ze sloffen een beetje; ik kan het me voorstellen.

Ik had me heilig voorgenomen, niet over de warmte of de hitte te schrijven, maar nu doe ik het toch. Jonge Britten hebben er het meest last van. Ze trekken hun overhemd uit en stappen halfnaakt in de tram. Ik vind dat je zo alleen op het strand of in het zwembad mag verschijnen. In ieder geval niet op de openbare weg in de stad, en helemaal niet in het openbaar vervoer. Dat is een invasie van je laatste privacy.

Erger wordt het nog als ze daarbij uit een zakje gaan eten. Ze proppen hun mond vol, ze blijven praten, het zakje kraakt. Kan dat niet verboden worden? Ik denk weer eens aan Reve. Eten zou je eigenlijk ook achter een boom moeten doen, zei hij. En hij heeft nog altijd gelijk.

De tram bereikt het Leidseplein. Voor de ingang bij de bestuurder vormt zich een rij van Japanners, Chinezen, Amerikanen, nog een paar nationaliteiten. Ze weten dat je daar een kaartje kunt kopen. Bijna achterin kan het ook, bij de conducteur en daar is veel meer ruimte. Maar de directie van het GVB is nog niet op het idee gekomen om dat op een bordje aan de buitenkant in drie talen duidelijk te maken. De toeristen willen dus voorin, en daar met een biljet van vijf, tien of twintig euro betalen. Dat wordt een probleem met het wisselgeld. De bestuurder slaat zich er doorheen zonder met een van zijn klanten in gevecht te raken. Bewonderenswaardig!

Een of twee haltes verder moet de hele troep er weer uit, want ze willen naar het Rijksmuseum. Of naar het Van Gogh. Daar staat een rij van honderd meter. Allemaal mensen die De Aardappeleters willen zien. Toerisme. Een goudmijn.

Een paar buitenlandse jongeren blijven nog even zitten. Moeten waarschijnlijk naar een soort jeugdherberg in Oud-Zuid. In ieder geval zijn ze van het sportieve type, ze versmaden het rolkoffertje, ze hebben een enorme rugzak bij zich. Die hebben ze voor het gemak in het gangpad of op een zitplaats naast het raam gelegd.

Alle haltes worden door een automatische stem van het GVB ook in het Engels omgeroepen. Ze horen dat ze bijna op hun plaats van bestemming zijn. In opgewonden haast slingeren ze hun bagage op de rug en dringen snel naar de uitgang.

Begin deze week werd uw verslaggever door zo’n zwaaiende rugzak tegen de linker schouder geslagen. Na de ervaring met die twee halfnaakt etende Britten was hij van plan zich absoluut niets meer te laten welgevallen. De maat was vol. Hij draaide zich half om en met alle kracht van zijn 85-jarige lichaam gaf hij die rugzak een reuzenduw. De eigenaar had het ding intussen vastgegespt, de kracht van de duw verplaatste zich naar zijn lichaam. Intussen maakte de tram een scherpe bocht. Hij wankelde en greep zich vast aan een mede-bèkpèkker die ook bijna zijn evenwicht verloor. Ik werd bevangen door het weldadig gevoel van bevredigde wraaklust, en ik had geluk. Dit was een keurig opgevoede toerist. I’m very sorry, zei hij.

In New York kon je destijds T-shirts kopen met op de rug: I’m not a tourist. Die verleiding heb ik altijd weerstaan. Als je iemand met deze tekst zag lopen, wist je bijna zeker dat hij een toerist was, die zich te buiten ging aan overcamouflage. De gemiddelde toerist is iemand die zijn hele omgeving wil laten weten dat hij van verre komt en nu even hier is, om de bloemetjes buiten te zetten, om zonder de controle van zijn omgeving op alle mogelijke manieren te genieten. Dat kan ook groepsgewijs en als het goed gaat kunnen ze op een hoogtepunt dan door lachstuipen uit elkaar worden gedreven.