Struisvogel Italië

Vrijdag 13 januari verging de Costa Concordia. Schip en kapitein Schettino werden direct symbolen voor de wankele toestand van de Italiaanse natie. Scheidend correspondent Bas Mesters zocht drie opvarenden op, die de vergelijking graag maken.

Carabiniere Giuseppe Romanò uit het Zuid-Italiaanse stadje Paola berispt zijn bijrijder als deze de veiligheidsriem wil vastmaken. „Niet nodig. Mij houden ze nooit aan.” Over zaken doen in Italië zegt hij even later: „Wie hier iets gedaan wil krijgen, neme een koffer met worst mee.”

Zestienhonderd kilometer noordelijker, in Pavia bij Milaan, citeert bloemiste Anna Veneroni in haar winkeltje een tekst op Facebook:

Beter een dictator die me eten geeft, dan een democratie die me laat sterven van de honger.

Beter een dictator die straft wie steelt, verkracht, moordt en drugs verkoopt, dan een democratie die geen veiligheid biedt.

In hoofdstad Rome noemt modejournaliste Mara Parmegiani premier Mario Monti een bluffer. „Hij heeft veel hersens, maar is een theoreticus. Hij speelt het spel van Merkel en dat is een dochter van Hitler die heel Europa haar wil oplegt.”

De modejournaliste, de bloemiste en de carabiniere, ze kennen elkaar niet en ze zijn toch met elkaar verbonden. Als Italianen door hun verwarring en zorgen over hun land. En als overlevenden van rampcruiseschip Costa Concordia. Het liep op vrijdag 13 januari voor het eiland Giglio op een rots ; 32 mensen vonden daarbij de dood. De schade: bijna een miljard dollar.

De iconografie van de scheepsramp ging dagenlang de hele wereld over. De Costa Concordia stond even model voor Italië. Hier strandde een Italian Love Boat, een paleis van vermaak. De frivole en leugenachtige kapitein Francesco Schettino werd al gauw de Berlusconi van de zee genoemd. Het „Ga aan boord, eikel” (Vada a bordo cazzo), waarmee de Kustwacht kapitein Schettino vermaande, werd een gevleugeld gezegde. Een geuzenkreet voor ieder die een ander op diens plichten wil wijzen.

Als journalist was ik op het eiland Giglio om verslag te doen van de schipbreuk. Ik nam me toen voor om op een rustig moment met enkele overlevenden te praten over die andere ramp: de economische en morele crisis die Italië treft. Ik vroeg me af welk schip het eerst weer boven water zal komen: de Costa Concordia of Italië.

In de tien jaar van mijn correspondentschap was ‘crisis’ altijd een van de meest gebruikte woorden. Tijdens het tijdperk-Berlusconi sloot Italië de rijen als het om economische groei ging. Familie, zwart spaargeld en gesjoemel leken meestal de grootste pijn te verzachten. Maar sinds anderhalf jaar heeft de angst voor de toekomst het wantrouwige Italië volledig in zijn greep.

Wat recente cijfers: de Italiaanse industriële productie daalde het afgelopen jaar met 8,2 procent, meer dan in welk ander EU-land ook. De jeugdwerkloosheid steeg tot recordhoogte sinds de jaren tachtig: 36 procent, met pieken boven de 50 procent in Zuid-Italië. Tientallen Noord-Italiaanse ondernemers in financiële nood pleegden het afgelopen jaar zelfmoord. De staatsschuld is tot recordhoogte gestegen: 1.972 miljard euro.

Premier Monti doet zijn best. De belastinginkomsten stijgen, maar de hoge rente op staatsobligaties en ook de afdrachten aan de Europese stabiliteitsfondsen kosten meer, waardoor Italië in de gevarenzone blijft.

Dodelijk traag

Als agent Romanò een gesp zonder veiligheidsriem in het mechaniek heeft vast geklikt, zwijgt het alarm op het dashboard en kunnen we op pad. Zijn gloednieuwe Fiat 500 brengt ons Paola in. Een stadje in Calabrië dat 18.000 zielen telt, van wie er 12.000 bij (semi)overheidsorganisaties werken. En waar men vreest voor de door Monti aangekondigde afslanking van de bureaucratie. Paola kwam twee jaar geleden in het nieuws doordat justitie er een gigantische milieuschandaal op het spoor leek. Vaten met kernafval zouden door de maffia voor de kust in zee zijn gedumpt. Het water en de stranden van Calabrië waren mogelijk besmet. De hele internationale pers berichtte erover. Tot het weer stil werd. Een veelvoorkomend ritueel in dit land waar justitie dodelijk traag is en waarin vanwege de rechteloosheid steeds minder buitenlandse bedrijven durven investeren.

Romanò, die onlangs werd gelauwerd voor zijn moedige en levensreddende gedrag op de Costa Concordia, wijst na de eerste bocht naar een groot roze huis met drie verdiepingen. „Dit pand is van mij. Mijn oudste dochter heeft er een zaak. Ze verkoopt alles wat men nodig heeft voor een bruiloft: van bonbonnières tot confetti en bloemen. Onder de 50.000 euro trouwen ze hier niet.”

De auto slingert verder omhoog en de agent remt weer af. Ook deze winkel en dit pand zijn van hem. Hij roept naar binnen. Zijn vrouw komt hooggehakt in een azuurblauwe fluwelen japon de juwelierszaak uit om kennis te maken. Ze belooft snel naar huis te komen. Wat wenst de gast te eten? Italiaanse pasta met vis, antwoordt de carabiniere.

Nog wat hogerop parkeert Romanò bij een gloednieuwe geel gestuukte villa. Het zwembadterras biedt uitzicht op de Tyrreense zee: „Ons nieuwe huis.” Grote witte vazen in de tuin veranderen ’s avonds in lantaarns. De traptreden binnen geven ook licht. De zomerkamer binnenshuis is gedecoreerd met trompe-l’oeil-fresco’s.

De vrouw des huizes kleedt zich even om, in een jurkje met een lichtgevende skyline van Manhattan, en toont haar vijf badkamers, de winterkeuken en de gloednieuwe mozaïeken. „In Italië is dit middenklasse. In Paola upper middle class”, zegt carabiniere Romanò.

Een politieagent met drie huizen? Romanò wijst ter verklaring op zijn spaarzin. Vijfentwintig jaar geleden kocht hij het eerste huis met een hypotheek die hij in tien jaar afbetaalde. Toen volgde het tweede en nu heeft hij zich weer voor een half miljoen in de schulden gestoken voor de villa. Een beproefde methode bij veel Italiaanse families die zo de afgelopen decennia voor hun kinderen een toekomst dicht bij huis probeerden veilig te stellen.

Maar de ware verklaring voor Romanò’s welvaart in het toch niet rijke zuiden, vertelt hij even later, zit hem in de bijzondere match tussen hemzelf en zijn vrouw: zij juwelier en hij carabiniere. Een gouden combinatie voor wie in het Calabrië van de ’ndranghetta, de meest gevreesde maffia van Italië, onbedreigd rijk wil worden. „Als ik geen carabiniere was geweest, had mijn vrouw nooit juwelier kunnen worden”, legt Romanò uit. „In de beginjaren begeleidde ik haar bewapend langs haar clientèle. Nu is het alarm van de zaak aangesloten op het hoofdbureau van politie. Wij hebben nergens last van. Foute mensen mijden ons. Ik ga dus nooit met pensioen. Ik moet mijn vrouw en haar zaak beschermen.”

Cliëntelisme

Bloemiste Anna Veneroni uit Pavia reageert verontwaardigd als ze dit verhaal een paar dagen later hoort. „En wat als je als juwelier niet het geluk hebt dat je man agent is?” Ze verwijst naar het zo vaak door de overheid herhaalde gezegde dat „de staat ook in Zuid-Italië aanwezig is en functioneert”. Zeker, „maar alleen voor de familieleden van de beambten”, denkt ze hardop. Italiaans cliëntelisme ten top.

Niet dat het bij haar in het noordelijke Pavia allemaal op rolletjes loopt. In Milaan, maar ook in haar eigen stadje komt het ene na het andere steekpenningenschandaal naar buiten. Zelfs de president van de regio Lombardije, Roberto Formigone, ligt zwaar onder vuur vanwege het achteroverdrukken van miljoenen aan overheidsgeld. Ex-premier Berlusconi is wekelijks gesprekonderwerp in het Milanese paleis van justitie. De top van de noordelijke partij Lega Nord, die tegen corruptie streed, is ten onder gegaan aan gesjoemel. En in Pavia, de stad van Anna Veneroni, blijkt het ziekenhuis geïnfiltreerd door de Zuid-Italiaanse ’ndranghetta die er zelfs wekelijks vergaderingen hield.

„Revolutie, dat is wat nodig is”, zegt ze fel. „Maar wij Italianen worden afgestopt door angst en onderling wantrouwen.” Liever zoet geslijm en een veilig hek om de eigen tuin dan risico’s lopen in een ongecontroleerde revolte op de piazza.

„We komen niet meer verder dan Facebook”, zegt ze vanachter haar laptop in de bloemenzaak. Na de ramp met de Costa Concordia hebben zij en haar man, Diego Pioltini, de sociale media ontdekt. „Facebook helpt. Je ziet dat je niet alleen staat.” Ze volgt gretig de gedeelde frustratie van haar landgenoten over de politieke klasse die niet verder kijkt dan het eigenbelang.

Haar man Diego start weer een Facebook-filmpje. Een Romeinse opa met de gaten in zijn schoenzolen gaat los tegen de politici en tegen de Italianen: „We staan er heel slecht voor. We zijn een klootjesvolk.” Anna: „Die man heeft de ballen om het te zeggen.” De opa: „Laten we alle politici op een vuurtje gooien en opnieuw beginnen.” Anna heeft een beter idee: een groot Big Brother-huis, alle politici erin met 1.500 euro loon per maand in plaats van 15.000. „En dan wil ik zien hoe ze zich redden.”

Tot de laatste verkiezingen stemden Anna en Diego allebei op Berlusconi. Als ze moest kiezen tussen Berlusconi en Monti zou het nog steeds il Cavaliere (de Ridder) worden. „Dat is tenminste een ondernemer. Monti is een bankier.” Maar ze zullen volgend voorjaar blanco stemmen. Anna: „Ik ga wel, maar ik zet op alle biljetten: Jullie kunnen de pot op.” De helft van de Italianen overweegt niet of blanco te stemmen – een record voor het land, waar de opkomst altijd minstens 80 procent was.

Diego Pioltini: „Het gaat hier in Italië om de schone schijn. Als je hier met een Fiat naar een zakenlunch in een restaurant gaat, krijg je niks voor elkaar. Kom je met een Hummer aanrijden, dan word je met alle egards behandeld. Niemand vraagt hoe je aan die auto komt. Wat telt is wat mooi (bello) is, niet wat goed (buono) is.”

Terreur

De derde ramppassagier Mara Parmegiani weet als modejournaliste alles van bellezza. Ze ontvangt in de met rood stof behangen lounge van hotel d’Inghliterra in Romes modedistrict aan de voet van de Spaanse Trappen. Ze is net klaar met een interview met couturier Curiel.

Italianen gaven het laatste anderhalf jaar weinig uit, constateert Parmegiani. Terwijl het modedistrict ten tijde van Berlusconi juist weer was opgebloeid. Berlusconi stond voor consumptie en geldcirculatie. „Nu zijn de mensen bang om uit te geven, bang om hun geld te laten zien, omdat de belastingdienst razzia’s houdt in rijke wintersportoorden, luxueuze badplaatsen en in uitgaansgelegenheden.”

Parmegiani spreekt van „terreur”. Mensen met dure wagens of kleding moeten hun fiscale nummer opgeven. De overheid controleert dan hun belastingaangifte om te checken of die wel zoveel tentoongespreide rijkdom legitimeert. „Maar als een arm privépersoon 30.000 euro bijeen heeft gespaard voor een mooie jurk. Waarom moet ie dat dan verantwoorden? Ten tijde van Berlusconi hadden we de vrijheid en de mogelijkheid te laten zien wat je hebt.”

Ze is bekend van tv. Schreef boeken onder titels als De geheimen van de verleiding en Verhalen uit het bed en zegt over zichzelf: „Ik ben, met 600 haute- couturejurken, de grootste modeverzamelaar ter wereld”. Ze was aan boord van de Costa Concordia om er met 300 medewerkers een modeshow te presenteren over vijf decennia Italiaanse haute couture die zou worden opgenomen voor tv. Een vergelijkbare show als ze in ambassades in Rusland, Brazilië en tijdens het 150-jarig bestaan van Italië organiseerde.

Nu liggen de jurken op de zeebodem. Vijf koffers vol Valentino, Fontana, Curiel, Sarli, Versace. Geschatte schade: 1 miljoen euro. „Die dag was een nachtmerrie. Ik heb de slechtste en de beste kant van de mensheid ontmoet. Vrouwen die elkaar aan de haren uit de reddingssloep trokken. En Filippijnse koksmaten die alles deden om passagiers te helpen, terwijl de officieren in de houding stonden en toekeken.”

Van de boot ging Parmegiani direct livejournaals en talkshows in om als getuige verslag te doen. „Zonder me te schminken en met zwemvest in de hand”. Ze schreef een boek over haar ervaringen dat werd gepresenteerd door journalist Bruno Vespa, de opperspreekstalmeester van Silvio Berlusconi. Ze heeft nu watervrees en probeert met drie advocaten haar schade te verhalen op rederij Costa Crociera. „Desnoods laten we een van hun cruiseschepen aan de ketting leggen.”

Ook zij ziet parallellen tussen de misstanden op de Costa Concordia en in Italië, maar relativeert enigszins. „Corruptie komt in de hele wereld voor. Bij ons zie je het meer en sneller. Dat is onze Italiaanse democratie. Hier exploderen dingen op een gegeven moment en komen ze naar buiten, misschien werkt onze democratie nog wel beter dan de Amerikaanse.”

Dat het desondanks niet wil lukken met Italië wijt ze aan algemene desinteresse in de publieke zaak. Neem kapitein Schettino. Toen zijn personeel hem zei dat de passagiers het schip wilden verlaten, zei hij uiteindelijk op zijn Napolitaans: „E va buò”, ofwel „toe maar”. Laat ze maar gaan als ze willen, maar hij bemoeide zich er niet mee. „Niemand neemt hier zijn verantwoordelijkheid voor het algemeen belang”, aldus Parmegiani.

„Finchè ce n’è, viva il re!” (Zo lang er te eten is: leve de koning), citeert agent Romanò tijdens de maaltijd een Zuid-Italiaans spreekwoord dat dateert uit de tijd dat de regio werd overheerst door vreemde koninkrijken. „Zolang een Italiaan het goed heeft, maakt het hem niet uit dat een ander steelt”, zegt Anna Veneroni. Zo kon het gebeuren dat Italië de meest corrupte politici van West-Europa kreeg. Zo kon de maffia haar gang gaan. En zo werd 270 miljard van de economie zwart. „Het maakt ons niet uit dat een parlementariër 4.000 euro declareert voor een gummetje, als wij maar te eten hebben”, aldus Veneroni.

Ze trekt de parallel met de Costa Concordia. Ook daar was geen controle. „Iedereen wist dat die cruiseschepen gevaarlijke zeemansgroeten brachten: de kustwacht, de leiding bij Costa Crociera, de passagiers. Maar niemand zei er iets van. Zo weten we ook al lang dat onze politici zichzelf verrijken. Decennia lang kon dat doorgaan, totdat we nu echt in crisis zijn en mensen beginnen te protesteren.”

Pratend met de drie schipbreukelingen uit Noord-, Midden-, en Zuid- Italië valt op hoe negatief ze over hun land praten en hoe goed ze het eigenlijk zelf hebben. Anna Veneroni en haar man realiseerden met hun bloemenzaakje nabij het station „een droom” en rijden elke avond naar hun huis dertig kilometer verderop waar ze een volkstuin hebben en waar ze hun peuter van de vrije natuur kunnen laten genieten. Mara Parmegiani kent half Rome en haar shows worden door bevriende couturiers aan een nieuwe collectie geholpen. Carabiniere Romanò laat zijn weelde graag zien en nodigt met liefde gasten uit voor een goede maaltijd aan de rand van het zwembad.

Geconfronteerd met het contrast tussen hun eigen werkelijkheid en hun publieke ongenoegen, zeggen ze dat Facebook en de andere media het nieuws wellicht te negatief brengen. Parmegiani: „De tv brengt een slagveld aan moord, verkrachting en huiselijk geweld.” Veneroni: „We worden bang gemaakt. Mede daarom is Italië een struisvogel. Een mooi beest dat mooie eieren maakt, en dat met regelmaat de kop in het zand steekt. We zijn bang, maar we moeten de kop weer uit het zand trekken.”

Ondanks haar gemopper wil ze optimistisch blijven. Na elke crisis komt weer een betere tijd. „Ik ga vanavond gewoon naar ons kippenhok, en dan ligt er weer een ei.” Haar man Diego: „En ik ga water brengen naar mijn courgettes in de volkstuin. Ik pluk er prachttomaten. Wat een spektakel! En daarna ga ik vissen met twee vrienden.”

Het Italiaanse schip helt gevaarlijk over, maar dobbert vooralsnog voort. Het zal niet zinken, hopen de Costa Concordia-overlevers, maar ook niet snel weer fier overeindstaan. De Italiaanse drenkelingen vrezen de verkiezingen in de lente, het vertrek van de niet geliefde ‘bankier’ Monti, en de terugkeer van hun oh zo gewantrouwde politici.

Voor hen is waar wat Giuseppe Tomasi di Lampedusa over zijn land schreef in de roman Il Gattopardo: „Alles moet veranderen, opdat alles hetzelfde blijft.” Ze zijn behoedzaam. Ze zullen geen vragen stellen over andermans weelde, omdat ze niet zeker weten wie hij is. Ze verlaten zich niet op de staat, omdat ze niet weten wie haar controleert. De Italiaan staat er uiteindelijk alleen voor, samen met zijn familie. Hij is realist. Hij weet: in zijn land is medeplichtigheid aan het leven onvermijdelijk.

Het is er brutto, maar desondanks bellissimo.

Dit was de laatste bijdrage van Bas Mesters als correspondent uit Italië. Op www.basmesters.nl vertelt hij in de rubriek Ik Kom Terug over zijn remigratie-belevenissen in Nederland, na tien jaar afwezigheid.