Spaanse wielersport staat op instorten

Spaanse renners als Alberto Contador, Joaquim Rodriguez en Alejandro Valverde rijden vooraan in de Vuelta. Maar het Spaanse wielrennen verkeert in een diepe crisis.

Eerst waren het er tien. Toen negen. Toen acht. Toen zeven. Toen zes. Toen vijf. Nu heeft het Spaanse wielrennen nog maar vier professionele wielerploegen over: Movistar, Euskaltel, Caja Rural en Andalucia. Die laatste twee teams kunnen hun renners nauwelijks meer betalen dan een broek en een shirt. Of ze volgend jaar nog bestaan weet niemand.

Alberto Contador, Alejandro Valverde en Joaquim Rodriguez mogen dan vechten voor de eindzege in de Vuelta, ze camoufleren de werkelijke staat van het Spaanse wielrennen. Alberto & co. zijn de vlaggen op een modderschuit. Achter de façade van hun succes staat het Spaanse wielrennen op instorten.

Spaanse renners raken massaal werkloos. Sommigen worden boer of brandweerman, anderen zitten zoals veel andere jonge Spanjaarden zonder werk thuis. De vedetten van het Spaanse wielrennen zoeken hun heil in het buitenland: daar verdienen ze doorgaans twee tot vijf keer zo veel als in eigen land. Alberto Contador en zijn lakeien fietsen in Deense dienst, Juan Antonio Flecha rijdt zich rot in de kleuren van Sky, Joaquim Rodriguez is samen met Oscar Freire en Dani Moreno gezwicht voor de olieroebels van Katjoesja en Luis Leon Sanchez verdient bij Rabo zo goed dat hij er niet over piekert om terug te gaan naar Spanje.

In andere Spaanse sporten worden ondanks de economische crisis nog altijd miljoenen rond gepompt, maar dat geldt niet voor het wielrennen. Er is geen geld, er zijn geen sponsoren. Bedrijven kunnen geen euro missen, de regionale overheden – in Spanje vaak de grootste financiers van lokale ploegen – moeten bezuinigen.

Niet alleen de ploegen vallen om; ook de wedstrijdkalender wordt ieder seizoen kaler. De Vuelta a la Comunidad Valenciana, de Trofeo Luis Puig, de Vuelta a Galicia, het Circuito Montañés, de Semana Catalana en de Bicicleta Vasca zijn al failliet gegaan – de Volta a Catalunya, de Classica San Sebastian en de Ronde van het Baskenland staan aan de rand van de afgrond. Jaime Ugarte, de organisator van de Classica San Sebastian, liet weten dat hij bij god niet wist hoe hij zijn begroting (een miljoen euro) rond moest krijgen: „Het is al te moeilijk om een sponsor voor 1.000 euro te strikken.”

Dat de koers anderhalve week geleden toch werd verreden is te danken aan de internationale wielerunie UCI – die sprak een reservepotje aan om de grootste Spaanse eendagskoers nog een jaartje van de ondergang te redden.

Maar het zijn druppels op een gloeiende plaat. De problemen van het Spaanse wielrennen zijn niet alleen van financiële aard. Naast geld en sponsoren mist er nog iets anders in Spanje: toeschouwers, zowel langs de weg als achter de buis. Het publiek heeft zich afgekeerd van de sport.

Neem de gemiddelde etappe in de Ronde van Spanje: meer dan enkele toevallige passanten, een paar diehard fans en een verdwaalde ezel zie je niet achter de hekken. Alleen in het Baskenland staat het publiek rijen dik in de berm: dat is dan ook de enige regio waarin wielrennen nog altijd echt leeft.

Kijkcijfers laten hetzelfde beeld zien: Spanjaarden kijken nauwelijks naar wielrennen. Vandaar dat de Spaanse tv ook minder wielrennen uitzendt. Van de Vuelta (waar de Duitse sprinter John Degenkolb van de Nederlandse Argos-ploeg vrijdag zijn derde ritzege behaalde) is op sommige dagen amper een uurtje live te zien; andere wedstrijden verdwijnen naar een sportzenders waarvoor je een abonnement nodig hebt.

Spanje is wielermoe. Niet voor niets speelt de Ronde van Spanje zich in 2015 voor een kwart op Nederlandse bodem af. Organisator Unipublic probeert wanhopig andere markten aan te boren omdat er thuis in Spanje niets te halen valt. Unipublic moet ieder jaar vechten om de begroting rond te krijgen. Door aanhoudende verliezen werd een enorme schuld opgebouwd. Als Tourorganisatie ASO in 2008 geen belang van 49 procent in Unipublic had genomen, dan was de organisatie van de Vuelta wellicht al failliet geweest.

Het Spaanse publiek is murw gebeukt door dopingaffaires. Operatie Puerto, Operatie Galgo: het waren er teveel. Zoals Jaime Lissavetzky, tot vorig jaar minister van Sport, al met enig gevoel voor understatement zei: „We hebben een dopingprobleem.” De afgelopen jaren waren er 47 politieacties gericht op doping, 543 verdachten werden opgepakt, 76 strafrechtelijk veroordeeld.

De lijst van Spaanse renners die de afgelopen jaren werd geschorst is lang. Alejandro Valverde, Ezequiel Mosquera, Alberto Contador, Francisco Mancebo, Oscar Sevilla, Roberto Heras, Iban Mayo, Manuel Beltran, Aitor Gonzalez, Santi Perez, Igor Asterloa en nog vele anderen . Het heeft het Spaanse publiek moedeloos en wantrouwend gemaakt.

Zelfs het succes van de Spaanse renners verleidt de Spanjaarden niet om naar de koers te kijken. Jaren achtereen domineerden de Spaanse coureurs de grote rondes, maar het viel nauwelijks op in eigen land. Spaans sportsucces is de laatste jaren een gewoonte geworden. Winnen is normaal. En fans kijken liever naar winnende Spaanse voetballers, tennissers, basketballers of Formule 1-coureurs. Het is een vicieuze cirkel. Minder publiek betekent minder media en minder sponsoren. Dat leidt weer tot minder ploegen, minder wielrenners en minder succes – en dat trekt nóg minder publiek.

De toekomst van het Spaanse wielrennen is zwart. De structuur van opleidingsploegen voor talentvolle renners is volledig weggevaagd, amateurteams doeken de boel op omdat ze de benzine niet meer kunnen betalen om deel te nemen aan een koers. En wedstrijden voor jonge renners vallen één voor één om.

De huidige Spaanse wielervedetten zijn de laatsten der Mohikanen. De tijden dat de Spanjaarden, zoals tijdens de Vuelta van 2004, met tien man bij de eerste tien van een grote ronde reden zijn voorbij. De opvolgers van Alberto Contador en Alejandro Valverde zitten niet op de fiets.

Die gaan liever voetballen.