Oceaangetij beïnvloedt kruipsnelheid van gletsjer

De snelheid van de Davidgletsjer in Oost-Antarctica wordt beïnvloed door het getij in de zee waarin hij uitmondt. Amerikaanse onderzoekers hebben dat afgeleid uit de variërende frequentie van aardbevingen die op één bepaalde plaats onder de gletsjer optreden (Nature Geoscience, 19 augustus). Dit verschijnsel is nog nooit eerder waargenomen bij een gletsjer als deze, die onder een relatief grote hoek van 1,1 graad omlaag schuift.

De Davidgletsjer transporteert ijs van het Transantarctisch Gebergte naar de Rosszee, waarin hij een lange, drijvende ijstong vormt. In 2002 en 2003 werden in het gebied van de gletsjer zo’n 20.000 aardbevingen gedetecteerd, die alle wat zwaarder waren en langer duurden dan bij dit soort bevingen gebruikelijk is. De bevingen volgden elkaar gemiddeld om de 25 minuten op, dus bijna met de regelmaat van een klok.

De bevingen ontstonden doordat de honderd kilometer lange laag van schuivend ijs en puin steeds op één punt door een onderliggend obstakel op de rotsbodem werd tegengehouden. Dit punt lag 25 kilometer vóór het eindpunt van de gletsjer, waar het ijs 1.800 meter dik is en met 6 centimeter per uur voortkruipt. Pas als de druk van hogerop voldoende was toegenomen, kon de ijsmassa plots doorschuiven en een beving veroorzaken.

Lucas Zoet en collega’s ontdekten echter ook dat de periode tijdens laagtij (in de Rosszee) afneemt van 25 minuten tot 20 minuten en tijdens hoogtij toeneemt tot 30 minuten. Dit komt doordat de Rosszee op de gletsjertong een tegendruk uitoefent, die zich bovenwaarts door de plastische ijsmassa heen voortplant. Bij dalende waterhoogte neemt deze druk af en gaat de gletsjer wat sneller bewegen en bij stijgende waterhoogte neemt hij toe en beweegt de gletsjer wat trager. De onderzoekers denken dat dit getijde-effect ook bij andere ‘steile’ gletsjers zou kunnen optreden.

George Beekman