Na de brand blijf je alleen zelf over

Als je huis in vlammen op gaat, ben je meer kwijt dan je stoffelijke bezit. Een reeks nog onopgeloste brandstichtingen in Drenthe trof ook Willem Gülcher en Gonne Klein. Ze vertellen over het leven na de brand.

Gonne Klein: „Gisteren zag ik de woonkamer weer voor me. Daar werd ik zo verdrietig van.” Willem Gülcher: „Het mooist zijn de kleine dingen die je krijgt. Messen nodig? Alsjeblieft: hier zijn messen.” Foto Sake Elzinga

Zonder te weten wat ze er zouden gaan doen, verhuisden Willem Gülcher en Gonne Klein in 2009 vanuit Weesp naar Rolde in Drenthe. Willem is directeur geweest van een hotel in Nepal en van een reclamebureau in Nederland en legt zich de laatste jaren toe op coaching. Gonne woonde lang in Zwitserland, waar de vader van haar zoon Johannes (12) nog steeds woont. Ze kennen elkaar van school en zijn beiden muzikaal. Willem speelt klarinet en piano, Gonne viool en accordeon.

Ze huurden de rietgedekte boerderij Kamps van de stichting Het Drentse Landschap, een rijksmonument dat ooit van Gonne’s grootouders was geweest. In de boerderij, omringd door dicht loofbos, gingen ze muziekcafés en schilder- en meditatiecursussen organiseren, en ze verhuurden hem voor feesten, ‘heisessies’ en partijen. Willem zette een counselingpraktijk op.

12 maart 2012. Na een druk weekend, met dag en nacht mensen en kinderen over de vloer, liggen ze met zijn drieën te slapen. Tot Willem om een uur of drie naar de wc gaat en vuur ruikt. Hij kijkt uit het raam, ziet niets. Hij loopt naar buiten. In het laagste deel van de rieten kap, ter hoogte van de keuken, ziet hij een gloeihaard ter grootte van een tennisbal.

Hij belt 112, dat groot alarm slaat. Gonne en Johannes proberen het brandje, nog steeds klein, met de tuinslang te doven. Gonne wordt nat, gaat naar binnen om droge kleren aan te doen. Paniek is er niet. Wel zet ze een rugzakje klaar met hun paspoorten en sieraden. Johannes haalt een pet uit zijn kamer. En pakt Willems iPhone mee.

Een kleine tien minuten later heeft Willem nog steeds 112 aan de lijn, met een medewerker die steeds zegt dat iedereen echt naar buiten moet. Zelf denkt hij nog dat het wel meevalt. Tot opeens op verschillende plaatsen tegelijk dikke, zwarte rook uit het dak komt. Onder de oppervlakte heeft het vuur zich razendsnel verspreid. Willem schreeuwt: naar buiten, naar buiten. Johannes is er al. Achter Gonne aan blaast een grote rookwolk het huis uit. Het rugzakje staat nog binnen. Een van de twee poezen zit nog onder een stoel.

Er is een soort „inademing” van het hele huis, zegt Willem. En dan: inferno. Gitzwarte rook, overal. Duisternis dieper dan de nacht. En voortdurend dat onheilspellende, slurpende geluid, van vlammen die zich een weg vreten door het riet.

Al snel is het bos vol brandweerwagens. Er zijn mannen in zwarte pakken met walkietalkies die het huis binnenstampen, nog net voor de schoorsteen inzakt. Ze kunnen alleen de muziekinstrumenten redden, uit de schuur. De viool, de piano, de accordeon. Willem: „We konden zo een concert geven, zoals bij de ondergang van de Titanic.” Hun andere bezittingen vergaan. De kat die nog binnen was, komt om.

De burgemeester komt, recht bij een andere brand vandaan. Een boerderij in Gieten, ook met rieten dak, brandde eveneens tot de grond toe af. De burgemeester is aangedaan, maar ook nuchter, en legt hun uit wat er gaat gebeuren. Dat er journalisten komen, met camera’s. Verzekeringsmensen. Tussendoor krijgt Willem een sms van het dorpshotel. Dat ze daar gratis terechtkunnen, meteen.

Als het licht wordt, staan ze bij de puinhoop die hun thuis was. Alles is weg, maar het dringt nog niet door.

Een paar maanden later, in een boshuisje met rieten kap, steekt Willem Gülcher de houtkachel aan. Vijftig meter verderop ligt de ruïne van de boerderij. Het boshuis, in gebruik als vakantiehuis, hoort erbij. Tijdelijk leven ze overdag hier, met hun konijnen en de kat die de brand heeft overleefd. ’s Nachts zijn ze in een ander vakantiehuis, met wat meer slaapruimte. In het bos rijden vrachtwagens af en aan; slopers zijn begonnen met puinruimen. Hoe is het leven na de brand?

Hulp

Gonne: „We hadden twee uur lang niets. Daarna kwamen er mensen met bakken en kratten vol spullen.”

Willem: „Het begon met de buurman, die bij de brandweer zit. Die ging ’s nachts al schoenen halen. Bodywarmers, jassen.”

Tegelijk: „Badkamerspullen.”

Willem: „Na twee weken hadden we alles weer. Ik kreeg kleren van een vriend die ging verhuizen naar Nieuw-Zeeland. Al zag ik na een week dat het allemaal XXL was. Maar ik heb ze met iemand kunnen ruilen tegen kleren van mijn maat.”

Gonne: „Een vriendin van mij is echt kleren gaan uitzoeken. Heel liefdevol. Dit komt van haar.” Haar kobaltblauwe shirt met bewerkte hals.

Willem: „Dit is van jouw broer.” Zijn overhemd met korte mouwen. „Je kreeg ook rare situaties. Een vriend van ons zei: ‘Hier, lekkere sportkleren.’ Dat waren shirts met zweetvlekken onder de armen.”

Gonne: „We maakten kennis met ‘onvrijwillige dankbaarheid’. Natuurlijk waren we blij met alles wat mensen zo liefdevol gaven, maar eigenlijk wil je dat niet nodig hebben.”

Willem: „Het mooist zijn de kleine dingen. Messen nodig? Alsjeblieft: messen. Een fiets voor Johannes.”

Gonne: „Sommige mensen hebben een vanzelfsprekend gevoel voor wat nodig is. Anderen zeggen steeds: wat heb je nodig? Zeg het, zeg het. Dan voel je je bijna verplicht iets uit je duim te zuigen.”

Willem: „De inboedel was slecht verzekerd omdat het een monumentale boerderij was, in oude stijl gebouwd. Tegenwoordig leggen ze brandvertragende platen onder het riet. Op advies van de burgemeester maakten we een fonds voor de herinrichting. Dat was uiteindelijk een mooi kanaal voor alle vrienden en familie die ons wilden helpen.”

Gevoel

Gonne: „De eerste vier weken sliep ik weinig en licht. Een continu koffiegevoel.”

Willem: „We trilden. Je voelt je naakt, kwetsbaar, onbeschermd. We konden maar een kleine groep mensen om ons heen verdragen. Jouw broer. Mijn zus en haar vriend. De vader van Johannes. Na een paar weken werd het prettig de cirkel weer groter te maken.”

Gonne: „We konden niet lang in een winkel zijn. Dat waren te veel indrukken. Ik pakte snel wat ik nodig had en rende weer weg. Voor het eerst van mijn leven heb ik voorgesneden broccoliroosjes gekocht.”

Willem: „Het ergste was dat de poes dood was.”

Gonne: „Voor Johannes begon het als een stoer verhaal. In de nacht van de brand mocht hij met een Mars uit de cateringwagen van de brandweer om vijf uur ’s ochtends tv kijken bij de buren. Hij kwam in een soort heldenrol terecht. Dat maakte hem sterker.”

Willem: „Zijn leven hield regelmaat doordat hij naar school ging. Wij zaten de hele dag naar een rokende puinhoop te kijken. En voerden gesprekken met schadeverzekeringstypes.”

Gonne: „Na een maand heeft Johannes twee dagen gehuild. Hij had heimwee naar het huis, de poes. Weer een maand later zei hij voor het eerst: we hadden wel dood kunnen zijn. Wat wij direct al dachten.”

Willem: „Per dag kun je je anders voelen. Nog steeds.”

Gonne: „De ene dag roep ik: het gaat goed met ons, de kaarten zijn opnieuw geschud, ik ben van het avontuurlijke type, ik word op mijn wenken bediend. De volgende dag zit ik met de andere poes in mijn armen en blob, komt er weer een hele emotionele laag.”

Willem: „De routine is er niet meer. We organiseerden van alles in de boerderij, die daar eigenlijk te klein voor was. We waren altijd aan het slepen met spullen. Dan opeens niks meer. Je blijft alleen zelf over. Met Pasen zaten we in ons vakantiehuisje aan tafel, met eitjes. En barstten in huilen uit.”

Gonne: „Ik dacht opeens: wanneer mogen we nu naar huis?”

De branden in de nacht van 12 maart 2012 waren de zoveelste in een reeks. Eind oktober vorig jaar brandden een andere boerderij met rieten dak af en een schaapskooi, ook in Drenthe, ook in één nacht. Het veroorzaakte grote onrust onder bewoners van de vele rietgedekte boerderijen in het gebied.

Dit voorjaar begon de politie een groot onderzoek en betrok daar nog zeven andere branden bij. Het onderzoek loopt nog steeds, maar heeft nog niet tot concrete resultaten geleid. In mei hield de politie wel een verdachte aan, een 39-jarige vrouw uit Emmen die eerder zichzelf bij de politie had gemeld en ook van een andere brand werd verdacht. Ze werd al gauw weer vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs, maar blijft verdachte in het onderzoek.

Deze zomer brandden in Drenthe weer drie boerderijen af. Na een eerste onderzoek gaat de politie er voorlopig vanuit dat er geen verband is met de eerdere branden.

Dader

Willem: „Het maakte wel uit dat er in mei iemand werd aangehouden. Eerst was de veroorzaker een soort blinde vlek. Het oerkwaad. Iemand die zoiets doet terwijl je meters verderop ligt te slapen. Na de aanhouding werd dat een mens die ziek en gestoord is. Het krijgt een gezicht, een verhaal.”

Gonne: „Het zou fijn zijn als de dader bekend was, dan is het afgesloten. Je vraagt je af wat echt het motief was. Of de dader er tijdens de brand nog stond, in de bosjes.”

Willem: „Het was net aangestoken toen ik het ontdekte. Waarheen is hij weg gewandeld? Is hij op zijn fietsje gestapt? Het verhaal is niet af.”

Verlies

Willem: „Het duurde een maand tot ik de boerderij kon zien als ‘verbrand’. In je gedachten zijn je spullen er nog. Je herinnert je waar ze vandaan kwamen, van wie je ze gekregen hebt. Wat is er dan weg, vroegen we aan elkaar. Dat is de plek. De cocon waarin je leven zich afspeelde.”

Gonne: „Als al je spullen in één klap verdwijnen, heb je daar geen gevoel bij. Afgelopen winter, voor de brand, was ik met schaatsen mijn portemonnee kwijtgeraakt. Dat is heel vervelend. Maar een kast vol en een huis vol verdwenen spullen is te veel om te bevatten. Na twee maanden voelde ik af en toe even hoeveel er weg was. Ik miste een slaapzakhoesje waar ik erg aan gehecht was. Daar zat voor mij de hele zolder met alle campingspullen aan vast.”

Willem: „Niet alles is onherroepelijk weg. Mijn ex zei: ‘Gelukkig heb ik de foto’s van de kinderen’. Daar hebben we tijdens de scheiding om gestreden. Nu komt het goed uit.”

Gonne: „Johannes was nog naar zijn kamer gegaan om een pet te pakken. Op zijn kamer dacht hij: neem ik de zwarte of de blauwe. Het werd de zwarte. Twee dagen later zei hij: had ik de blauwe maar gepakt. Verder miste hij zijn spullen niet.”

Willem: „Van spullen is het niet zo erg dat ze weg zijn. Het is de band met spullen die je mist. Ik heb nu kleren waarmee ik geen connectie heb. Een keer deed ik mijn trui uit omdat het warm was. Later kon ik hem niet meer vinden. Tot een vriend zei: dit is toch jouw trui? Hij hing gewoon over mijn stoel. Maar hij voelde niet als mijn trui.”

Gonne: „Ik heb altijd gezegd dat ik niet hecht aan spullen. Ik merk nu dat het mij wel raakt dat dingen weg zijn. Een jasje. Het gevoel van geborgenheid dat daarbij hoorde. Gisteren zag ik de woonkamer weer voor me. Een kleedje uit Zwitserland. Het bankje uit de Helmersstraat. Daar werd ik zo verdrietig van.”

Heden

Willem: „Ons bedrijf is weg, maar we hebben nog dezelfde activiteiten. Mijn praktijk is opeens enorm gaan lopen. Als coach begeleid ik mensen met dingen die in de weg zitten. Dat gaat hierover. De brand is een soort metafoor voor veel van wat er in de boeken voorbijkomt.”

Gonne: „Ik vraag me al mijn hele leven soms af waarom ik er ben. Ik kan er net zo goed niet zijn. Nu denk ik: ik bén er wél. Dat is meer in mijn botten gaan zitten. Ik heb beleefd dat ik er bijna niet meer was. Ik besef hoe fragiel het is. Het gevaar loert om elke hoek. Het ‘er zijn’ is zo niet-vanzelfsprekend.”

Willem: „Half juli hebben we een groot muziekfeest georganiseerd, met verschillende orkesten. Het is goed erbij stil te staan dat zoiets verwoestends je leven niet stopt. Dat doet het wel, maar na een paar maanden ben je weer vrij.”