'Met vrouwen heb ik een beetje pech gehad'

Fred de la Bretonière ontwerpt al meer dan veertig jaar schoenen en tassen. Bij een premier cru vertelt hij over de vrouw die zijn leven veranderde.

Een half uur te vroeg ben ik in Muiden, bij restaurant De Doelen aan de sluis, en net als ik naar binnen wil gaan, draait er een forse Jaguar het parkeerterrein op. Er stapt een kleine man uit: Fred de la Bretonière. Had hij voor het gesprek met mij nog wat anders willen doen? Rondkijken in het dorp? Ik wacht wel, hoor. Nee, nee, nee. Zijn vriendin had hem gewoon te vroeg de deur uitgejaagd. Van haar mag hij niet te laat te komen.

De eigenaar van De Doelen ontvangt ons met open armen. Wat leuk. Wat gezellig. Hij kent de vrouw van Fred de la Bretonière. Die zat vroeger ook in de horeca. Ga zitten, dit is de beste tafel, hij zal ons voorlopig niet storen. Water? Wijn? „Heb je een…?” vraagt Fred de la Bretonière. Gevrey Chambertin premier cru zie ik even later op het etiket staan. Een bourgogne. Een bordeaux verdraagt hij niet, en een amarone of een barolo ook niet, te veel tannine, daar krijgt hij jicht van, in het kraakbeen van zijn oor, heel gek. Maar een bourgogne… Hij proeft hem. Hmmmm. Heerlijk. „Als hij niet in het budget past, dan…” Hij maakt zijn zin niet af en ik word een beetje ongerust.

Ontwerper van schoenen en tassen sinds 1970. Veel succes, uitgeroepen tot de beste van Nederland, toen – in 1981 – bijna failliet. Dat was in 1981. Daarna vijfentwintig jaar op royaltybasis voor handelsonderneming Estral in Waalwijk gewerkt en sinds 2006 weer eigen baas. Fred de la Bretonière, 67 jaar, kocht op zijn eenenzestigste zijn onderneming terug en begon opnieuw. Voor de hand liggende vraag: probeert hij de dood voor te blijven?

„De dood?” zegt hij. „De dóód?” Nooit van gehoord. Nu menens: moest hij in een rolstoel zitten, dan nog zou hij van het leven genieten. Maar hij verwacht niet dat het hem zal gebeuren, die rolstoel, of een slopende ziekte, want zijn ouders bleven tot hun einde goed en overleden aan een hartstilstand, allebei op hun zesentachtigste. Nu zal hij me een verhaal vertellen. Toen hij zijn eerste winkeltje net geopend had, in de Sint Luciënsteeg in Amsterdam, kwam er een fortune teller bij hem binnenlopen, je kent het type wel, het was nog in de hippietijd. Voor vijfentwintig gulden wilde die hem wel een voorspelling doen en een advies geven. Niet dat Fred de la Bretonière in dat soort dingen gelooft, welnee, maar toch. De fortune teller zei: ruik elke ochtend voor je werk aan een bloem en je zult 96 worden.

Maar als ik denk dat Fred de la Bretonière dat sindsdien dus doet, dan heb ik het verkeerd begrepen. Het was symbolisch. Het gaat om het moment van rust. Hij heeft dat als hij ’s morgens in zijn auto, gelukkig tegen de file in, naar Waalwijk rijdt. En wat hij nu gaat vertellen, dat is natuurlijk ijdelheid, maar mensen zeggen vaak tegen hem: wat zie jíj er goed uit, zo jong, zo energiek. Aha, zeg ik. Hij voelt zich twintig jaar jonger en daarom… „En daarom heb ik de aandelen van mijn onderneming teruggekocht en ben ik opnieuw begonnen, maar deze keer goed.”

Verwend

Die eerste tien jaar deed hij maar wat, zegt hij. Hij lette niet op wat in de mode was. Wat hij maakte, wérd mode. Hij lette ook niet op de fabrikanten die – in steeds grotere aantallen – zijn schoenen produceerden, of die hun werk wel naar behoren deden. Daar had hij geen zin in.

„Beetje verwend”, zeg ik.

„Verwend? Verwénd?”

„Wel talent, maar geen discipline.”

Hm. Nou. Ja. Zit wat in. Hij zat op de hbs, hbs-b, want hij zou naar Delft gaan, net als zijn vader. Die was elektrotechnisch ingenieur en werkte bij Akzo. Maar Fred de la Bretonière maakte nooit huiswerk. Hij bleef twee keer zitten. Hij wilde kunstenaar worden. Of atleet. Dat was wel zijn probleem: twee talenten die zich niet met elkaar lieten verenigen en wát moest hij kiezen. Zo blij was hij toen hij op zijn zesentwintigste op het idee kwam om leren polsbandjes te gaan maken en daar ook nog geld mee bleek te kunnen verdienen.

De eigenaar van De Doelen brengt geen kaart. Hij doet een voorstel – en ook dat maakt me een beetje ongerust. Eerst sla met coquilles en gamba’s. En dan een tong delen misschien? Of liever allebei een eigen dorade? „Dorade”, zegt Fred de la Bretonière. Het komt door Suzanna, zegt hij, dat hij nu wel discipline heeft. Hij is nu vijftien jaar met haar. Ze was eigenlijk zijn type niet, maar door haar had hij de moed om opnieuw te beginnen en door haar gaat het nu zo goed. In een paar jaar tijd van zeven naar dertig miljoen euro omzet. Honderdvijftig werknemers. Nu ook een eigen kledinglijn. „Op tijd naar bed en op tijd opstaan. Zo eenvoudig is het.”

„Eindelijk volwassen.”

„Nou, nou…”

„En niet steeds een andere vrouw.”

„Met vrouwen heb ik een beetje pech gehad. Als je op je achttiende verliefd wordt, maar…”

De sla wordt gebracht. De eigenaar vraagt aan Fred de la Bretonière hoe de opening van zijn nieuwe winkel in Amsterdam-Zuid was. Helaas kon hij niet komen, want hij moest werken.

„Ze wees u af?” vraag ik als de eigenaar weer weg is.

„Ze was mijn grote liefde, met haar wilde ik trouwen. Maar toen had ik met een ander meisje seks, en toen maakte ze het uit. Mijn hart barstte. Ik was helemaal kapot. Ik dacht: ik ga mezelf doodmaken of ik ga naar de andere kant van de wereld.”

Het werd twee jaar Australië, werken in de bosbouw, assistent van de landmeter, en elke middag naar de kroeg, vijfentwintig pilsjes drinken. Ze schreven elkaar 318 brieven en toen hij weer terug was, verloofden ze zich. Om het te vieren gingen ze een weekend naar Parijs. Ze kregen ontzettende ruzie, ze wilden de hele tijd allebei wat anders. Daarna ging hij in militaire dienst. Hij werd opgeleid tot sportinstructeur, tekende voor een jaar bij en kwam bij de cavalerie in Duitsland terecht. Zij trouwde intussen met een ander en verhuisde naar Frankrijk. „Vijfentwintig jaar lang heb ik van alles gedaan en gelaten om haar. Toen ik ontwerper van het jaar werd, dat was in 1976, hoopte ik dat zij het zou horen. Als ik in de krant stond, dacht ik: misschien leest zij het.”

Hij ging samenwonen met een ander, kreeg twee kinderen, ging weg, ging opnieuw samenwonen met een ander, ging weer weg en werd pas rustig, zegt hij, toen hij een relatie met Suzanna kreeg. „Het seksleven is goed en de drang om vreemd te gaan is verdwenen.”

„Waarom eet u uw coquilles niet op?”

„Ik eet geen schaaldieren. Op mijn manier werk ik aan mijn gezondheid, hoor. Ik eet dus ook geen kreeft. Je moet toch iets voor jezelf verzinnen. En ik eet geen tonijn, want dat vind ik zielig. Er zijn bijna geen tonijnen meer.”

„Maar waarom geen schaaldieren? Vanwege uw jicht?”

„Ze schijnen slecht voor je te zijn, maar ik weet niet precies waarom. Een oom van me is overleden omdat hij te veel oesters had gegeten. Ik was veertien, dus dat blijft je dan wel bij.”

Puntendieet

In Australië, zegt hij, maakte hij kennis met een soort puntendieet dat RAF-piloten in de oorlog volgden om op gewicht te blijven. Elke kilo erbij maakte hun straaljager minder wendbaar. Zelf had hij een dikke kop gekregen van het bierdrinken. Zijn grote liefde zag het op een foto en ze vond het lelijk. Dat puntendieet – calorieën tellen – dat volgt hij nu nog steeds.

Suzanna leerde hij kennen toen ze leren voorschoten bij hem kwam bestellen voor het restaurant dat ze zou gaan openen, de Mangerie in de Spuistraat. Zij was 22, Fred de la Bretonière 32 en beroemd. Zijn kantoor was boven de winkel en normaal drukte het personeel beneden op een knop als er bezoek voor hem was, maar Suzanna liep meteen door: tien stuks graag, zondag klaar, en wees vereerd, want mijn restaurant wordt mooi wel het beste van de stad.

Nee, hij was niet van haar onder de indruk. Ze verkeerde ook in heel andere kringen dan hij. Hij zat, zeg maar, in café De Zwart – bohémien – en las nooit De Telegraaf. Zij kwam bij Hoppe. Managers, directeuren. Maar in 1998 zaten ze naast elkaar aan een diner, ontzettende lol, en toen ze een verhouding hadden gekregen, zei ze: denk bij het ontwerpen eens wat meer aan de mensen met geld – dát zijn je beste klanten.

De dorade komt met een risotto, en daarbij nog frites met mayonaise. Vinden we vast wel lekker, zegt de eigenaar. „Neem die dorade maar weer mee”, zegt Fred de la Bretonière. Hij lacht. Dat meent hij natuurlijk niet. Maar de frites met mayonaise gaat op en de dorade maar voor de helft.

„Van kunstenaar naar zakenman”, zeg ik.

„Nou, nou…”

„Had u eerder discipline gekregen als u met uw grote liefde was getrouwd?”

„Ze had wel overwicht op me. Daar kon ik eerlijk gezegd niet zo goed tegen.”

„Dat heeft uw Suzanna ook.”

„Nee. Nou. Ja. In praktisch opzicht wel. Ze heeft overwicht omdat ik het goed vind. Ze zegt zelf: ik ben je moeder.” En zijn moeder, zegt hij, schijnt voor haar dood tegen zijn zusje en zijn kinderen te hebben gezegd: ik hoop dat Fred bij Suzanna blijft.

Zijn grote liefde heeft hij nog een paar keer gezien, lang geleden, na haar scheiding, toen ze weer in Nederland woonde. Het was niets meer geworden.