In het land van Ali B

Wandelend door het Nationale Park van al-Hoceima ontmoet veel Marokkaanse Nederlanders. ‘PSV-speler Afellay woont om de hoek.’

Wandelroute door het Nationale Park van al-Hoceima in de Rif in Marokko. Sietske de Boer

Een vrouw met een rieten hoed plukt amandelen. Ze is in de boom geklommen om beter bij de hoog hangende noten te kunnen, haar echtgenoot kijkt vanaf de grond toe. Verspreid in het kale berglandschap staan eenvoudige lemen woningen, vaak omheind met een haag van cactussen. Een ezel, beladen met jerrycans, sjokt over een smal pad naar boven. In de diepte glinstert het blauwe water van de Middellandse Zee, in het lage struikgewas maken krekels een hels kabaal.

Samen met vrouw en kinderen maak ik een driedaagse wandeltocht door het Nationale Park van al-Hoceima in de Rif in Marokko. Vanochtend zijn we vertrokken uit het dorp Adouz. Behalve voor het prachtige berglandschap zijn we naar de Rif gekomen omdat ongeveer driekwart van alle Marokkanen in Nederland hier vandaan komt. In de zomer zijn velen op bezoek bij hun familie. Overal waar we komen zien we auto’s met Nederlandse kentekens. Een mooie kans om Marokkaanse-Nederlanders te ontmoeten in de streek waar hun wortels liggen

Nawfal Belhadj, onze gids, woonde drie jaar in Nederland. „Ik was illegaal”, lacht hij. „Van 2003 tot 2006 werkte ik in een telefoonwinkel in Roosendaal.” Tijdens een uitstapje naar Arnhem pakte de politie hem op. „Na een week in de gevangenis werd ik op het vliegtuig terug naar Marokko gezet.” Nawfal spreekt behoorlijk Nederlands. Onze kinderen, negen en elf jaar, kunnen hem goed verstaan. Eindelijk zijn ze in het buitenland een keer niet afhankelijk van iemand die vertaalt.

In de verte, aan de andere kant van de vallei, ligt het dorp Taoussert. Daar komt de familie van rapper Ali B vandaan, vertelt Nawfal. Ook bijna alle Nederlands-Marokkaanse voetballers komen uit de Rif. Oud-PSV’er Ibrahim Afellay, die nu bij Barcelona speelt, heeft in de stad al-Hoceima een huis. „Ik heb hem een paar dagen geleden zien rijden in zijn grijze Audi”, zegt Nawfal. „Hij woont bij mij om de hoek. Als we over een paar dagen in al-Hoceima zijn kunnen we Afellay opzoeken.”

Ezel

Met de auto kun je in de Rif maar op weinig plekken komen. Veel huizen zijn alleen bereikbaar te voet of met een ezel. Over een steil pad dalen we af naar een verlaten kiezelstrand. Geiten knagen aan struikgewas, een Marokkaanse jongen draagt een Oranje-shirt met de naam van voetballer Dirk Kuyt. We hebben duikbrillen en snorkels meegenomen om te kunnen genieten van het onderwaterleven voor de Marokkaanse kust. Ik zie een heleboel geel-blauw gestreepte vissen en een inktvis. Er leven hier volgens de gids ook schildpadden, maar die zien we helaas niet.

Verspreid over het nationale park zijn meerdere gîtes. Wandelaars kunnen van het ene onderkomen naar het andere lopen. Ezels zijn beschikbaar om de bagage te vervoeren. Vannacht slapen we bij een familie in het dorp Jnanat. Rondom een open binnenplaats is een aantal kamers. Gordijnen en tapijten hebben felle kleuren, net als de kleding van de vrouwen. Op het erf scharrelen kippen, een autowrak ligt weg te roesten. Water komt uit een put. Onze kinderen takelen het met een touw omhoog.

Youssef Tachich, een pientere man met donkere pretogen, runt de gîte samen met zijn zus. In de keuken assisteren zijn nichtjes. De familie is druk bezig met onze maaltijd. In een oven op het erf wordt brood gebakken. „We halen alles uit eigen tuin”, zegt Tachich trots. Als voorgerecht krijgen we een heerlijke linzensoep. Het hoofdgerecht is een tajine met schapenvlees. Als toetje serveert Tachich vruchten van de cactus. Gelukkig heeft hij ze geschild, zodat we geen last hebben van de minuscule stekels. De vruchten, zo groot als een mandarijn, smaken naar meloen.

De volgende ochtend vraagt Tachich of we zin hebben in appels. Hij heeft een paar bomen, we mogen zo veel plukken als we willen. Tussen hoge cactushagen lopen we naar de rand van het dorp. Tot mijn verbazing staan de appelbomen midden in een wietplantage. We banen ons een weg door de dicht op elkaar staande planten, die soms wel meer dan twee meter hoog zijn. Nog een paar weken en dan kunnen ze geoogst worden. „Een project van mijn broer”, lacht Tachich. „Hij kon de verleiding niet weerstaan. Geen enkel gewas levert zo veel op als kif.”

De Rif is al decennialang een van de belangrijkste hasjproducenten ter wereld. Het Nationale Park van al-Hoceima ligt aan de rand van het gebied waar kif verbouwd wordt, de meeste plantages zijn meer naar het westen. De Marokkaanse overheid treedt zelden op tegen de teelt. Wandelaars hebben nergens last van. In tegenstelling tot de streek rond het stadje Ketama worden toeristen hier niet lastig gevallen door opdringerige types die grote stukken hasj proberen te verkopen.

Zeewind

Rond de middag vertrekken we voor een wandeltocht naar Bades, een dorp zo’n tien kilometer verderop. De hitte valt mee. Een frisse zeewind brengt verkoeling. Om in Bades te komen moeten we een berg over. Nadat we de top gepasseerd zijn, zien we in de diepte een rots in zee, waarop een fort is gebouwd. Op de rots wappert de Spaanse vlag. Peñón de Vélez de la Gomera is een van de vele Spaanse enclaves langs de Marokkaanse kust. De Spanjaarden namen ze eeuwen geleden in bezit om zeeroverij te bestrijden.

Bades is een dorp van een paar honderd inwoners. We wandelen een café-restaurant binnen. Hassan Larabi, de eigenaar, begroet ons in het Nederlands. „Welkom, welkom”, zegt hij hartelijk. „Wat willen jullie drinken. Koffie, cola?” Labari woonde vanaf 1979 een paar jaar in Gouda. Dertig jaar geleden keerde hij terug naar Marokko. „Ik werkte in de bloembollen”, vertelt hij. Aan de muur van zijn café-restaurant hangt een paar Nederlandse klompen.

Hassan Labari boert niet slecht, is mijn indruk. Hij heeft een van de mooiste huizen van Bades. In tegenstelling tot bijna alle andere woningen heeft het niet één maar twee verdiepingen en mooie geglazuurde dakpannen. Behalve in de horeca werkt Hassan ook als visser. En hij organiseert boottochten. „Als jullie willen kunnen we een trip maken over zee”, zegt hij. „Ik kan jullie naar Torres brengen, dat is ongeveer een half uur varen. Dan hoef je minder ver te lopen.” Dat klinkt vooral de kinderen als muziek in de oren. Over de prijs moeten we onderhandelen. We worden het eens over 250 dirham (25 euro).

Terwijl we naar de boot lopen, begint het steeds harder te waaien. De golven zijn aanzienlijk hoger dan een paar uur geleden. Maar Labari beweert dat er geen probleem is. We duwen de boot, een kleine houten sloep met buitenboordmotor, in het water en springen erin. Het begint harder en harder te waaien, de boot wordt hoog opgetild door de golven. De kinderen vinden het fantastisch, maar ik maak me zorgen. Misschien was dit toch niet zo’n goed idee.

Als we Torres naderen begint ook Labari zorgelijk te kijken. Hij wijst op de rotsen die verspreid over het strand liggen. Als de boot daar tegenaan slaat, blijft er weinig van over. Labari roept naar een paar jongens die op het strand liggen. Hij wil dat ze boot tegenhouden als hij op de rotsen dreigt te slaan. Geconcentreerd stuurt hij door de branding, waarna hij nerveus gebaart dat we snel over boord moeten springen. Het water blijkt dieper dan we dachten. De boot overleeft de landing, maar wij zijn kletsnat.