Europa: het ravijn of de reddingsboei?

Het is één van de belangrijkste twistpunten in de huidige verkiezingsstrijd: is de Europese Unie nu het probleem of juist de oplossing voor de gigantische financiële problemen die veel landen teisteren? Minder of meer Europa, dat is de kwestie.

Foto Peter de Krom

Sinds begin 2010 is het heel erg zichtbaar dat het zich verenigende Europa niet alleen lusten kent, maar ook lasten. Financiële steun aan Griekenland, steun aan Portugal, steun aan Ierland, steun aan Spanje. De bedragen zijn groot; megagroot. Niet te bevatten zo groot. En ingewikkeld is het ook nog eens: de hulpconstructies, maar ook de besluitvorming erover. Nationale parlementen volgen morrend wat regeringleiders tijdens vaak urenlange, tot in de nacht durende spoedsessies met elkaar zijn overeengekomen.

Het is de prijs van Europa, wordt gezegd. Daarom is dat ene Europa voor veel mensen steeds minder vanzelfsprekend. Anderen stellen juist dat de huidige schuldencrisis laat zien dat de in de jaren vijftig van de vorige eeuw begonnen eenwording van Europa niet snel genoeg kan worden voltooid. Minder of meer Brussel, daar gaat het kort gezegd om.

Het besef in Nederland drong door op 17 maart 2010. Toen liet minister Jan Kees de Jager (Financiën, CDA) de Tweede Kamer in een – weliswaar nog van veel mitsen en maren voorziene – brief weten dat Europese lidstaten het in nood verkerende Griekenland wel eens met geld te hulp zouden moeten schieten. Natuurlijk, van „cadeautjes voor Griekenland” kon op geen enkele wijze sprake zijn, schreef De Jager ferm. Maar hij had als minister nu eenmaal de verantwoordelijkheid voor de financiële stabiliteit van Nederland. En om die reden zou „een interventie” wel eens mogelijk kunnen zijn.

Dat was 2,5 jaar geleden. Inmiddels is Griekenland door het buitenland 240 miljard euro aan steun toegezegd. Hiervan komt in elk geval 102 miljard rechtstreeks uit Europese fondsen. Ook het Internationaal Monetair Fonds staat met 58 miljard euro garant.

De rekening voor Nederland bedraagt volgens de jongste tussenstand van het ministerie van Financiën 17,7 miljard euro. Geld dat niet direct ‘weg’ is. De hulpoperatie aan Griekenland bestaat uit leningen en garantstellingen. De vraag is wel of het nagenoeg failliete Griekenland overgaat tot terugbetalen. Aanvankelijk zei minister De Jager nog dat de Nederland zou verdienen aan de rente op de leningen. Nout Wellink, directeur van De Nederlandsche Bank, viel hem bij. Maar begin dit jaar waarschuwde de inmiddels gepensioneerde Wellink voor verliezen omdat Griekenland zijn schulden nooit volledig zou kunnen terugbetalen.

Griekenland is niet het enige land in nood. Ook Ierland (2,7 miljard) en Portugal (4,1 miljard) zijn door Nederland, via Europa, financieel bijgesprongen. Het volgende land dat zich aandient, is Spanje. Een keuze om landen al dan niet te helpen is er niet, zegt De Jager steeds: „De eurolanden zijn financieel en economisch met elkaar verbonden door onder andere export en internationaal bankverkeer. Problemen in het ene land kunnen daardoor ernstige gevolgen hebben voor een ander euroland of uiteindelijk de hele eurozone.”

Hier wreekt zich de weeffout die al geconstateerd werd toen in 1992 in het Verdrag van Maastricht werd besloten tot de invoering van de euro. Een economische unie, zo waarschuwden de critici, kon onmogelijk bestaan zonder een politieke unie.