De woningmarkt zit muurvast

De woningmarkt moddert al jaren door en het einde lijkt voorlopig niet in zicht. De problemen zijn deels te wijten aan de crisis, maar zijn ook structureel. Maar waar te beginnen? Eerst de huursector aanpakken, of juist de koopsector? Of allebei tegelijk?

Foto Peter de Krom

Huiseigenaren hebben grote moeite hun woning te verkopen en vangen er veel minder geld voor dan ze altijd hadden gehoopt.

Huurders stuiten op lange wachtlijsten, dus blijven maar zitten waar ze zitten. Of ze verdienen te veel voor hun goedkope sociale huurwoning – de zogenoemde scheefwoners.

Gemeenten zien hun belangrijkste inkomstenbron, de verkoop van dure bouwgrond aan ontwikkelaars, opdrogen.

En de staat stimuleert, via de hypotheekrenteaftrek, het maken van schulden. Met als gevolg dat Nederland de grootste hypotheekschuld van Europa heeft, ruim 650 miljard.

De huidige staat van de woningmarkt maakt niemand gelukkig. En de crisis heeft de situatie alleen maar verergerd. Het vertrouwen onder kopers is weg en wil maar niet terugkomen. Werden in 2002 nog 200.000 huizen verkocht, vorig jaar waren dat er nog maar zo’n 120.000. Bouwbedrijven gaan failliet, makelaars en hypotheekadviseurs hebben het moeilijk.

De overheid is met de hypotheekrenteaftrek en de gereguleerde huren de grootste verstoorder op de woningmarkt. De omvang van de nationale hypotheekschuld vormt het grootste risico. Dat is niet alleen een probleem voor huizenbezitters, die na de verkoop van hun woning vaker een restschuld overhouden.

Het is ook een groot risico voor banken, waarschuwde president Klaas Knot van De Nederlandsche Bank eind vorig jaar. Banken moeten geld lenen om de hypotheken te kunnen financieren. Maar het gevaar bestaat dat investeerders Nederlandse banken mijden, omdat het onderpand – de woningen – steeds minder waard wordt. Dat zou de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar kunnen brengen.

Wat te doen?

De woningmarkt verdient een rigoureuze opknapbeurt, zowel de huur- als de koopsector. Daar is iedereen het wel over eens. Deskundigen zijn de afgelopen jaren over elkaar heen gebuiteld met ingrijpende voorstellen. Maar de politiek komt er maar niet uit. Waar te beginnen? Alle partijen hebben zo hun eigen ideeën, overeenstemming blijkt lastig te vinden.

En dus proberen de belangenorganisaties het nu zelf. In mei werd een „integrale hervorming van de woningmarkt” gepresenteerd, het plan Wonen 4.0. Een opvallend initiatief, omdat tegenpolen als huiseigenaren (Vereniging Eigen Huis), huurders (Woonbond), makelaars (NVM, VBO) en corporaties (Aedes) de handen ineensloegen. Hun idee: de hypotheekrenteaftrek geleidelijk afschaffen, de huren geleidelijk verhogen, in ruil voor een lagere inkomstenbelasting. De politiek reageerde zuinigjes. Alleen D66, GroenLinks en de ChristenUnie komen er nu in hun verkiezingsprogramma’s op terug.

Over één ding is de politiek het wél eens: de enorme hypotheekschuld moet kleiner. Dus zoeken alle partijen naar een manier om huiseigenaren te stimuleren danwel te dwingen hun leningen af te lossen. Zoals de ChristenUnie het verwoordt: „Bij lenen hoort logischerwijs aflossen, maar dat is in het huidige systeem van elkaar losgeraakt.”