De overlegeconomie kan wel tegen een stootje

Alexander Rinnooy Kan verlaat de SER in een tijd dat het poldermodel lijkt te wankelen. Toch is hij optimistisch: „Er moet heel wat gebeuren wil de bereidheid van werkgevers- en vakbeweging om zaken te doen, verdwijnen.”

Voor een lege boekenwand in het kantoor van de Sociaal-Economische Raad in Den Haag zetelt Alexander Rinnooy Kan. De boeken en familiefoto’s zijn al ingepakt. Per 1 september treedt hij terug als voorzitter van de SER. Wisseling van de wacht in de polder.

Toen u in 2006 begon bij de SER, vier jaar na ‘Fortuyn’, was u optimistisch over Nederland. Hoe staat het land er nu voor?

„Nederland is nog steeds in overgang van een mooi verleden naar een onduidelijke toekomst. In dat verleden zit veel dat waard is te behouden en waarvoor nauwelijks alternatieven zijn, niet in de laatste plaats de overlegtradities.

„De erfenis van Fortuyn is nog niet goed in kaart gebracht, hoewel er inmiddels veel pogingen gedaan zijn. Ik vermoed dat een van de gevolgen een nieuwe tweedeling in Nederland is, die zich onttrekt aan oude classificaties. Ooit had je in Nederland arbeid versus kapitaal, zoals in de meeste Westerse landen. Dat hebben we rond het eind van de Tweede Wereldoorlog opgelost – niet in de laatste plaats in dit SER-gebouw. In de jaren 60 en 70 was de tegenstelling links/rechts, voor of tegen radicale verandering. Nu is het: introvert/ extrovert of nationalistisch/ kosmopolitisch.

„Helaas valt dat laatste onderscheid vaak samen met de tweespalt hoog versus laag opgeleid. Hoogopgeleiden hebben een langer en plezieriger leven, zowel in hun werk als daarbuiten. Ze zijn dan ook tevredener dan de laagopgeleiden, die om zich heen kijken en zich bezorgd afvragen wat deze nieuwe wereld hun en hun kinderen gaat bieden.

„Zo is er een tweespalt tussen al diegenen die, alles wikkend en wegend, nog steeds geloven dat een algemene richting naar een wereld zonder grenzen positief en kansrijk is, en degenen die steeds meer beginnen te geloven dat die overgang van oud naar nieuw vooral risico’s en weinig profijt oplevert.

„Die tweedeling loopt dwars door vertrouwde categorieën heen en heeft een groter legioen ontevredenen en gefrustreerden opgeleverd dan we in lange tijd in Nederland hebben gehad. Het fenomeen van mensen die vooral dingen niet willen en die niet precies weten wat ze wel willen, is niet nieuw, maar de aantallen waren altijd kleiner. Het is de taak van de politiek, en van het middenveld dat de politiek ondersteunt en inspireert, om iets te verzinnen om diegenen die alleen maar weten wat ze niet willen, ook weer iets te geven dat ze wel willen.

Is dat waar de SER de afgelopen zes jaar op is gestuit?

„Wij niet alleen. Ook dit instituut komt voort uit dat mooie verleden, maar alle instituties zijn in deze periode van populisme kwetsbaar. In dat lange verleden zit ook die traditie van een middenveld, of de civil society, wat ik een mooiere term vindt dan ‘middenveld’ – het midden waartussen dan? Het Nederlandse middenveld is rijk aan grote en kleine deelnemers, maar we hebben ook twee grote en actieve partijen – werkgevers en werknemers – die regelmatig bereid waren hun politieke belangenbehartiging in elkaar te schuiven tot een gezamenlijk geluid. De SER is niet veel meer of minder dan de organisator van die krachtenbundeling.

„Zo geformuleerd is er geen enkele reden waarom die rol niet in de toekomst relevant zou blijven, al is de manier waarop die organisaties zich positioneren en groeperen op dit moment sterk in beweging. De werkgevers hebben hun grote samenvoeging al achter de rug en zitten gezamenlijk aan het Malieveld. De vakbeweging denkt na over wat zij willen en kunnen in de komende tijd.

„Wat dat ook precies gaat opleveren, je kunt historisch gezien vaststellen dat hun bereidheid elkaar te vinden als dat voor het land nuttig of nodig bleek te zijn, voor Nederland goed heeft gewerkt. Ik zeg dat niet alleen uit een soort ideologische tevredenheid – dat het mooi was en beschaafd en verstandig – maar ook kijkend naar de resultaten.

„De Brusselse econoom André Sapir heeft overtuigend onderzocht hoe de verschillende sociaal economische systemen van Europa de afgelopen vijftien jaar hebben gefunctioneerd. Landen als Nederland, Finland en Oostenrijk blijken het zowel sociaal als economisch het beste te hebben gedaan. De economisch ook wel sterke Angelsaksische landen hebben veel meer schade ondervonden van de financiële crisis dan wij. Het zal niet verbazen dat de Mediterrane landen het op beide fronten slecht deden.”

Waarom heeft vooral de vakbeweging het moeilijk?

„De vakbeweging is echt aan beide kanten van die kloof tussen naar binnen en naar buiten gekeerden, hoog- en laagopgeleiden vertegenwoordigd. In de vakbeweging zitten dus ook veel leden die twijfel en aarzeling over de toekomst voelen. Juist de vakbeweging heeft als instituut de kans, maar ook de lastige taak om die achterban in brede zin te bedienen.

„Duidelijk is dat het gesprek over die kloof heen buitengewoon moeizaam verloopt – voor zover het überhaupt verloopt. Er is irritatie en wantrouwen aan beide kanten. Dat wantrouwen is gebaseerd op authentieke teleurstelling en verspeeld vertrouwen. Het gaat in de financiële crisis en de economische crisis om ontbrekend vertrouwen van bijna iedereen in bijna alles; vertrouwen van markten in instituties, vertrouwen van markten in elkaar, vertrouwen van spelers binnen die markten in elkaar en ook vertrouwen van veel mensen in al diegenen die zij verantwoordelijk achten voor het ontstaan van de problemen.

„Het blijft natuurlijk bizar dat die financiële crisis, die ons nog steeds bedreigt, niet alleen niet werd voorzien door bankiers, beleggers en verzekeraars, maar ook niet door al diegenen die goed betaald werden om toezicht op hen te houden. Dat leidt tot begrijpelijk wantrouwen en achterdocht bij al diegenen die zich daar nu slachtoffer van voelen.

„Dus dat dat gesprek zo moeizaam verloopt heeft begrijpelijke redenen. Toch zal een klein land als Nederland, dat zijn kracht voor een deel ontleent aan nationale cohesie, moeten blijven proberen dat bredere gesprek tot stand te brengen en dan is de vakbeweging daarbij een bijna onmisbare partij.

„Het traditionele evenwicht tussen de drie partijen in de overlegeconomie was de afgelopen tijd verstoord. Het systeem werkt het best als de politiek in min of meer gelijke mate belangstelling toont voor het werkgevers- en werknemersperspectief. Daar heeft het aan ontbroken.

„De politiek gaf veel meer steun en waardering voor de werkgeversvisie dan voor de kijk van werknemers. Dat versterkte in de kring van de vakbeweging het gevoel dat er in alle nationale contacten veel meer moest worden ingeleverd dan ooit kon worden binnengehaald. Dan gaat er iets wrikken en dat leidt er toe dat grote onderwerpen onvoldoende kunnen worden behandeld, die toch tot onze nationale prioriteiten behoren.

„De twee voor mij meest frustrerende zijn de arbeidsmarkt en Europa. De mix van flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt is echt toe aan herziening van de regels. Ondernemers hebben niet veel moeite om het belang van Europa voor de Nederlandse economie te zien, maar bij de vakbeweging lopen veel mensen rond die zich aan hun kant van die kloof ernstig afvragen of Europa hun iets anders gaat bieden wat ze nodig hebben, anders dan stress, spanning, niet-gewenste concurrenten.”

Hoe is dat vertrouwen over ‘de kloof’ heen weer te vergroten?

„De organisatorische onrust bij de vakbeweging is nu zo groot dat je ze maar even de tijd moet gunnen om met elkaar tot rust te komen. In Nederland heeft de vakbeweging essentieel bijgedragen aan het de totstandkoming van een harmonieuze, fatsoenlijke welvaartsstaat.

„Dat woord ‘fatsoen’ heeft nu al een soort ouderwetse klank, omineus want het is natuurlijk toch een kernbegrip. Nederland is een succesvolle Europese economie geworden doordat we er in zijn geslaagd fatsoenlijk te hervormen; we hebben de vaart er in gehouden, maar wel met oog voor de individuele slachtoffers van die hervorming. De vakbeweging heeft daar met succes voor gevochten en samen met ondernemers bereikt dat Nederland in die 30 jaar na het Akkoord van Wassenaar van een kwakkelende Europese economie met ‘Griekse’ cijfers het op één na welvarendste land van Europa kon worden, met alleen Luxemburg – als je dat een land mag noemen – boven ons. Dat is een ongelofelijk succesverhaal.”

Is Duitsland niet succesvoller?

„Nee, Duitsland is heel succesvol maar als je het in termen van welvaart per hoofd van de bevolking bekijkt dan is Nederland echt het op een na welvarendste land van Europa. Het jaartal 1982 is het moment waarop het ‘Poldermodel 2.0’ werd geïnitieerd. ‘1.0’ had in de vijftiger jaren zijn hoogtepunt: het heropbouwen van Nederland in een vrij centralistische aansturing. 1982 tot, zeg maar, 2005 of 2010 representeerde een nieuwe manier om met elkaar om te gaan, met veel gedecentraliseerder denken en uitvoeren van alles wat met arbeidsvoorwaarden te maken heeft, maar nog steeds voldoende cohesie op nationaal niveau. En nu zitten we misschien aan de vooravond van een ‘3.0’-variant voor de komende vijfentwintig jaar.

„De vakbeweging heeft die rol gespeeld. Nu is de vraag: kunnen ze dat kunststukje in de eenentwintigste eeuw herhalen? Waarom eigenlijk niet? Er is voor werknemers op die grote globaliserende arbeidsmarkt echt wel behoefte aan een ondersteunende partij die werknemersbelangen behartigt.

Wat rechtvaardigt uw optimisme over de overlegeconomie?

„Mijn optimisme... ja, dat ik zie als een oer-opdracht van iedereen die iets van bestuurlijke verantwoordelijkheid voelt: optimisme als morele plicht. Het is ook gebaseerd op de constatering dat de overlegeconomie meer is dan wat er in Den Haag gebeurt alleen. Die is stabiel en kan wel tegen een stootje. Er moet heel wat gebeuren in Nederland wil de bereidheid van werkgevers- en vakbeweging met elkaar zaken te doen, verdwijnen. Die overlegtraditie zou onderdeel kunnen zijn van herwonnen vertrouwen en herwonnen draagvlak voor politiek beleid dat uiteindelijk alleen maar kan komen van wat er op dat beroemde, beruchte, grote middenveld georganiseerd kan worden.”

Zijn er ook kosten verbonden aan het gepolder?

„Ja, het circuit kost natuurlijk geld, maar niet zo veel. Het klassieke antwoord op die vraag is: het overleg duurt wel erg lang. Ik vind zelf de WAO het beste voorbeeld, omdat het zo evident een erkend probleem was dat aandacht verdiende en het zo verschrikkelijk lang geduurd heeft voordat die aandacht omsloeg in verandering. Dat kostte Wim Kok bijna zijn baan en zijn positie binnen de Partij van de Arbeid. Tien jaar later was Nederland uiteindelijk rijp voor ander beleid.

„Er zijn twee tegenargumenten tegen het bezwaar van traagheid in de polder. Het eerste is: de politiek heeft altijd de vrijheid om zelf knopen door te hakken. Wat hier gebeurt is ondersteunend en adviserend, niet besluitvormend. Niemand in dit gebouw heeft de ambitie om de politieke besluitvorming over te nemen. De gedachte dat het hier een soort corporatistische Derde Kamer zou zijn, ik heb er nooit iets van gemerkt.

Een recent voorbeeld: de wet Werken naar Vermogen, waarvan de aantredende staatssecretaris mij zei dat hij geen tijd had om op een SER-advies te wachten. Die wet ligt nu, twee jaar later, op een plank te wachten.

„Het tweede argument. Bij Nederlandse ondernemingen bestaat natuurlijk ook een cultuur van mensen betrekken. In Angelsaksische bedrijven zegt iemand: zo doen we het. Dat geeft een enorm verschil in besluitvormingstijd. Maar er is ook nog zo iets als implementatietijd. Als je de optelsom van beide neemt, dan is het verschil aanzienlijk minder groot.

„We leven in een tijd van flashcrowds, flashmobs, sociale media die mensen binnen de kortste keren op grote schaal kunnen informeren over wat er speelt en hun medewerking vragen voor actie. Daar zijn spectaculaire voorbeelden van. De Arabische Lente. Maar democratische processen verlangen dat mensen zich langduriger verbinden aan een bepaalde ambitie. Wat blijft daarvan over in een periode waarin de voorkeur van velen lijkt om zich intensief, maar zeer kort te associëren met zo’n doel?

„Natuurlijk kun je ook in een democratische besluitvormingstraditie proberen je voordeel te doen met digitale media, maar ik zie geen razendsnel alternatief voor het moeizaam zoeken naar democratische meerderheden. Tijdens die gang van zaken is er een rol voor die civil society, waaronder werkgevers en werknemers om mee te denken, en die rol kun je niet via een flashcrowd organiseren. Beïnvloeden van politieke besluitvorming vergt meer dan één verontwaardigd sms’je, al komt het van honderdduizend telefoons tegelijk.

Werken publieke en private sfeer goed samen in Nederland? U heeft ervaring aan beide kanten.

„Ik had voortdurend het idee dat wat ik aan de ene kant heb geleerd ik aan de andere kant kon gebruiken. Dat komt hier te weinig voor. Er zijn landen, zoals Frankrijk, waar de leidinggevende elite moeiteloos die sprong van publiek naar privaat maakt, en weer terug. Dat is goed voor de samenhang van het nationale beleid. Frankrijk kan internationaal disproportioneel veel invloed uitoefenen doordat publiek en privaat elkaar zo goed weten te vinden.

„We zouden er hier systematischer naar moeten streven om veelbelovende mensen uit de private sector op projectbasis een rol te gunnen bij belangrijke publieke projecten. En omgekeerd. Je kunt de gang naar de publieke sector aantrekkelijker maken door meer te investeren in een hoogwaardige opleiding van toekomstig publiek toptalent. Het is jammer dat er in Nederland niet zo iets is als een Kennedy School in Harvard, waar op hoog niveau mensen worden voorbereid op een lange loopbaan in de publieke sector. Er zou ook een plek moeten komen waar mid career publieke fuctionarissen een half jaar doorbrengen met lotgenoten uit andere Europese landen.

De verkiezingen moeten volgens de PVV over de Europa gaan. Maakt dat het lastiger die door u genoemde kloof te overbruggen?

„Zelfs bij de eurosceptische Economist in hun zogenaamde uitgelekte memo aan Merkel was de conclusie: laten we toch maar proberen die euro te laten overleven. Als we dat in Nederland in de volle breedte zouden uitdragen, zou dat al een belangrijke eerste stap zijn. Misschien ben ik te optimistisch, maar als deze conclusie zo met alle serieuze analyses te onderbouwen valt, dan heb je toch ook als politicus geen andere optie dan om je tong blauw te praten om iedereen zo goed mogelijk uit te leggen, hoe dat komt en waar dat mee te maken heeft. Dat hoeft niet per se een ideologische keuze voor de vreugde van de monetaire unie te zijn, het is gewoon een nuchtere afweging van opties. Ik kom altijd uit bij ‘eerst de euro redden’, en dan hebben we een voor sommigen misschien tandenknarsend vervolgdebat over hoe uit de verschillende opties de minst kwade geselecteerd kan worden.