De arbeidsmarkt scheurt in tweeën

Het ontslagrecht mocht niet hervormd worden en toch flexibiliseert de arbeidsmarkt snel. Wie een vast contract heeft, zit gebakken. De flexwerkers vangen de recessies op. Wat te doen? Flex meer beschermen of vast minder?

Foto Peter de Krom

Steeds meer mensen werken als zelfstandige of hebben een flexibel arbeidscontract. Ze werken op een tijdelijk contract of via een uitzendbureau. Die flexibilisering neemt toe sinds een jaar of tien.

Dat komt deels door andere voorkeuren van werknemers. Veertigers kiezen na een periode in loondienst ervoor als zelfstandige verder te gaan. Zo hebben ze meer vrijheid en kunnen ze meer verdienen (ze dragen geen sociale premies af). Het komt ook door andere voorkeuren van werkgevers: bedrijven houden graag een schil van flexibel personeel aan om krimp en groei van de vraag naar hun producten op te vangen.

De flexibilisering neemt tevens toe sinds Oost-Europese arbeidsmigranten hier vrij mogen werken (sinds 2004). Zij zijn bereid te werken tegen slechtere arbeidsvoorwaarden dan Nederlandse werknemers. Zo willen ze best minder verdienen dan het (relatief hoge) minimumloon. Dat mag niet, maar zelfstandigen (zzp’ers) kunnen er zelf voor kiezen minder te verdienen dan het minimumuurloon dat geldt voor werknemers. Het maakt Nederlandse minimumloners minder aantrekkelijk.

Uitzendbureaus zijn zeer inventief in het bedenken van nieuwe vormen van flexwerk. Zo is payrollen ontstaan, een manier om het ontslagrecht te omzeilen. Payrollen is het snelst groeiende onderdeel van de uitzendbranche.

Aldus ontsnapt een steeds groter deel van de arbeidsmarkt aan collectieve arrangementen zoals de cao- en ontslagregels, en de afdracht van sociale premies. Dat zet de sociale zekerheid financieel onder druk, maar ook moreel. Vaak klinkt de vraag: hoe kunnen zoveel mensen werkloos zijn als ook 300.000 Oost-Europeanen in Nederland werken?

Hierdoor staat ook het poldermodel ter discussie, waarin vakbonden en werkgevers overleggen over sociale arrangementen en cao’s. Vakbonden vertegenwoordigen een steeds kleinere groep werknemers. Is het terecht dat ze nog steeds zoveel macht hebben in het poldermodel?

In rechten verschillen vaste en flexibele werknemers sterk. Er wordt daarom gesproken van een tweedeling op de arbeidsmarkt. Het ene deel van de arbeidsmarkt is star en goed beschermd in vergelijking met andere Europese landen, het andere deel is juist relatief weinig beschermd, becijfert de internationale denktank Oeso al jaren. Volgens wetenschappers (CPB, ROA, Universiteit van Tilburg) groeit het aantal flexwerkers zo snel omdat vaste contracten zoveel bescherming genieten. Zij adviseren de bescherming van vaste contracten te verminderen. Louter de bescherming van flexwerkers verhogen zal ertoe leiden dat minder mensen een baan vinden, zeggen zij.

De arbeidsmarkt voor ouderen is een apart probleem. Zij wisselen weinig van baan. Als ze ontslagen worden, is hun kans op nieuw werk klein. Hoewel de onvrijwillige werkloosheid onder vijftigplussers laag is (de meesten zitten in prepensioenregelingen), vrezen velen dat vijftigplussers ontslagen worden als vaste contracten minder beschermd worden. Ouderen zijn relatief duur vergeleken met andere landen: het loon stijgt in Nederland hard met leeftijd, terwijl dat in andere landen afvlakt.

De rode draad in al deze kwesties is: hoe krijgen we zoveel mogelijk mensen aan het werk? Door de vergrijzing neemt het aantal inactieve Nederlanders de komende decennia toe ten opzichte van het aantal werkende mensen. Een relatief kleine groep moet het geld verdienen om de rest te onderhouden. Hoe meer mensen werken, hoe draaglijker dat is.