'Beelden Maillol zijn wél echt, en ik heb daarvoor het bewijs'

De directeur van het Maillol-museum in Parijs verweert zich met een brief en een beeldje tegen de beschuldiging dat werk van de kunstenaar zou zijn vervalst.

De erven Maillol vervalsen geen beelden, en daarvoor is nieuw bewijs in de vorm van een brief en een beeldje van Maillol uit 1906. Dat zegt de directeur van het Musée Maillol in Parijs, Olivier Lorquin, in een reactie op de bewering, donderdag in deze krant van twee kunsthistorici, dat de erven Maillol valse bronzen beelden van Aristide Maillol (1861-1944) in omloop hebben gebracht.

„Met een brief van Maillol uit 1906 en een bronzen beeldje in mijn bezit, gegoten in datzelfde jaar, voorzien van het merk van de bronsgieterij waarom nu zoveel te doen is, maak ik een definitief einde aan de stroom van geruchten”, zei Lorquin vrijdag.

Volgens twee kunsthistorici, Ursel Berger uit Berlijn en Arie Hartog uit Bremen, beide Maillol-experts, zouden de erven Maillol zo’n 200 bronzen beelden hebben laten gieten met een vals bronsgietersmerk, om zo de indruk te wekken dat die beelden tijdens Maillols leven gegoten zijn – en dus waardevoller zijn.

Zo zou het in mei voor 291.000 euro bij Sotheby’s New York geveilde beeldje Petite Nuit een vervalsing zijn. Berger en Hartog baseren die bewering vooral op het feit dat het beeldje een afwijkend bronsgietersmerk draagt: A. Bingen et Costenoble Fondeur Paris. Fondeur (gieter) in enkelvoud dus, zonder ‘s’. Berger en Hartog hebben bij andere, zeker authentieke bronzen van Maillol uit die gieterij alleen het merk A. Bingen et F. Costenoble Fondeurs aangetroffen. Met F. en in meervoud, met ‘s’. Vooral op basis van de fout in het gietersmerk nemen de kunsthistorici aan dat Petite Nuit een vervalsing is. Ook bij de bronzen die vanaf 15 september op de grote Maillol-expositie in de Kunsthal in Rotterdam geëxposeerd worden, plaatst het tweetal vraagtekens.

Lorquin, een van de erven, heeft gisteren het bestaan onthuld van een bronzen beeldje, Femme se tenant les 2 pieds, verwant aan Petite Nuit, waarop ook het gietersmerk in enkelvoud, fondeur, op staat. En hij levert er bewijs bij dat het in 1906 gegoten moet zijn, want hij openbaart er een brief bij van Maillol uit 1906. Die heeft zijn vriend Francois Bassères een terra cotta-versie van dit beeldje gegeven. Maar die heeft liever een bronzen versie. Maillol schrijft dat hij dit beeldje bij de bronsgieterij van Bingen en Costenoble in Parijs moet laten gieten. En in 1994 kopen de erven Maillol het beeldje, dat hun wordt aangeboden, weer terug van de erven Bassères.

In de gisteren door Lorquin uitgegeven persverklaring getiteld Er is geen Maillol-schandaal (‘Il n’y a pas de scandale Maillol’) voegt hij een kopie van Maillols handgeschreven brief en de verkoopakte uit 1994 bij.

Dat een expert op het gebied van Franse bronsgieterijen, Elisbath Lebon het fondeur-merk ook niet langer als authentiek beschouwt, maakt op Lorquin geen indruk. „Zij heeft het over een merkstempel in deze bronzen beelden. Maillol liet al zijn beelden bij Bingen en Costenoble in zand gieten, en dan wordt het merk er met een beitel in gegraveerd. Stempels in brons zie je alleen bij in was gegoten bronzen beelden.”

Lorquin hoopt met deze verklaringen een eind te maken aan beschuldigingen van Berger en Hartog dat zijn moeder, Dina Vierny (1919-2009) Maillols laatste model en erfgenaam, bronzen Maillols heeft laten gieten met vervalste merken.

Maar de kunsthistorici zijn nog niet overtuigd. Arie Hartog liet vrijdagavond weten dat Lorquin wat hem betreft geen bewijs geleverd heeft. „Bassères bezat een ander beeldje. Ik ga ervan uit dat Lorquin dat niet weet en daarom een beeldje dat duidelijk later gegoten is (het bewuste stempel) aan die brief koppelt.”

De brief is volgens Hartog wel echt: „Lorquin heeft de wetenschap een dienst bewezen” door die brief openbaar te maken, stelt hij.