Als ik al sta te douchen, danst het publiek nog

Schrijver Arthur Japin heeft deze week een vroege roeping gevolgd. Hij staat op het toneel bij De Utrechtse Spelen in het stuk Veel gedoe om niks.

Arthur Japin, geschminkt voor zijn rol van slechterik Don John in Shakespeares Veel Gedoe Om Niets van De Utrechtse Spelen en New Cool Collective in de Stadsschouwburg. Foto’s Rob Huibers

Donderdag 16 augustus

Een mevrouw loopt met twee blikjes cola, die ze bij de bar gehaald heeft, dwars door mijn intieme scène. Ze staat gevangen in het licht tussen Floris (Verkerk) en mij. Ik spreek haar aan alsof zij ook in het complot zit dat ik bezig ben te smeden en vervolg daarna mijn tekst. In Shakespeares tijd ging het niet anders. Tussen het publiek kwamen zelfs kinderen ter wereld en werden ruzies uitgevochten. In onze opvoering lopen bezoekers en spelers door elkaar. Zoals de lezer zijn wereld verbindt aan een roman en die daarmee voltooit, voltooien de toeschouwers onze enscenering. Wat een energie dat geeft hebben we vanavond voor het eerst ervaren.

Laat thuis na een gesprek in Met het oog op morgen, maar toch eerst Erwin Olaf nog geschreven. Zijn kiss-in heeft veel haat en doodsbedreigingen opgeroepen. Als iemand nog eens durft te beweren dat homo-emancipatie in Nederland onderhand wel voltooid is dan moet hij even kijken naar de reacties op Erwins site. Die bewijzen dat die strijd vandaag harder nodig is dan een kwart eeuw geleden. Wie, zoals Erwin Olaf, bereid is daarvoor de storm te trotseren, is mijn held.

Vrijdag

Het leven kent opmerkelijk weinig losse eindjes. Dit verbaast me steeds opnieuw. Zo is de laatste jaren het theater van alle kanten opnieuw mijn leven binnengekomen, dankzij nieuwe vrienden en oude kennissen die ineens weer opdoken, maar ook door sommige romanfiguren. Toen de uitnodiging kwam de planken op te gaan, leek die bijna logisch. Heb ik een boek voltooid, dan voel ik me leeg en zoek een uitdaging, een nieuwe vaardigheid, een andere discipline, een avontuur dat me zal opladen. 26 jaar is het geleden dat ik in een productie als deze speelde, 27 sinds ik in een Shakespeare stond. Wat een voorrecht mee te mogen doen met zo’n troupe topacteurs. Ook tijdens de tweede try-out schitteren ze, word ik door ze opgetild, en valt alles op zijn plek.

Zaterdag

Uitgebreid ontbijt op bed met zijn drieën. Ik lees de ode die Ben in The New Yorker schreef over zijn idool en vriendin, de legendarische zangeres Chavela Vargas. De twee drukke evenementen van deze zomer, de première van Veel gedoe om niks en het verschijnen van mijn nieuwe roman (Maar buiten is het feest) eind september, vormen gek genoeg ook rustpunten in ons gezin. Om er samen van te kunnen genieten, houdt iedereen de dagen daaromheen van verre reizen vrij. Ben is net thuis, Lex vliegt volgende week weer uit, maar op momenten als deze zijn we er vooral voor elkaar.

Erg warm vanavond. Toch gaat het dak eraf. Lachgraag publiek dat nog door danst terwijl ik al lang onder de douche sta. Medespelers waarschuwen dat dit morgen op de première anders zal zijn. „Wie een vrijkaart krijgt is eerder afwachtend, niet snel bereid om te genieten.” Bovendien, het wordt bijna 40 graden.

Zondag

Vroeg naar de sportschool. Verder vooral lezen en luieren in de tuin. Ik kan me enorm druk maken over niets, maar komt het er echt op aan dan ben ik de kalmte zelf, onderkoeld eerder dan opgewonden. Niets van de zenuwen dus die ik vroeger voor een première voelde, uitsluitend concentratie. Mijn blik voortdurend op vanavond.

Feest! Minder uitbundig dan gister inderdaad, maar alles werkt. Er wordt volop gelachen en gedanst. Terwijl ik hoog in de schouwburg vanuit mijn adelaarsnest neerkijk op de dansvloer, dringt pas tot me door hoezeer deze voorstelling aansluit bij mijn nieuwe roman. Zoals ik als Don John, opgesloten in mezelf, van buitenaf aankijk tegen het feestgedruis, beziet Zonne, de hoofdpersoon uit het boek, zichzelf. Zij is zowel het introverte meisje als de beroemde ster die voldoet aan het beeld dat mensen van haar hebben. Zij treedt naar buiten om zich te kunnen verstoppen. Een mens is zijn eigen vermomming. De publieke persoon verhult het meisje binnenin, twee stemmen. In mijn roman komen ze beide aan het woord. Don John is niet anders. Van binnen is de pijn, maar buiten is het feest.

Maandag

Vrije dag. Evenmin als mijn personage houd ik van feestgedruis, was dus om middernacht thuis en werk daarom helder aan allerlei zaken die door de repetities waren blijven liggen. Zo regel ik onze reis naar Aarhus, waar Ben en ik lezingen gaan geven aan de universiteit, en maak ik aantekeningen voor de toespraak waarmee ik, als juryvoorzitter van de Theaterprijzen, volgende week het Nederlands Theater Festival mag openen.

Dinsdag

Onze zwager Arun spreekt vanochtend op de Amerikaanse televisie voor het eerst over de afgelopen vier jaar waarin hij dag en nacht aan Barack Obama’s zijde was. Leo, ons neefje, is er van in de war: „I don’t want daddy to talk to America, mommy! I want him to talk to ME.

Voor het eerst in twee maanden weer tijd voor een work-out met Roro, onze personal trainer. Valt niet tegen, de intensieve repetities hebben me goed in conditie gehouden. Na afloop stapt een jongen van een jaar of veertien de sauna binnen, geheel en al gekleed, zelfs zijn sneakers heeft hij aan. Je ziet hoeveel moed hij heeft verzameld voor zijn allereerste bezoek maar ook dat hij geen idee heeft wat het is of hoe het werkt. Eén blik en hij heeft zich al bedacht, maar hij durft niet voor- of achteruit. Ik zeg bemoedigend dat hij gerust eerst thuis even een handdoek kan gaan halen.

Woensdag

Ik denk deze dagen regelmatig aan Badu Bonsu, de koning van Ahanta. Acht jaar geleden stond ik oog in oog met hem in een Leids laboratorium. Zijn hoofd dreef op sterk water in een glazen pot: de huid bleek geworden. Je bent niet vergeten, fluisterde ik. Tijdens een staatsdiner kaartte ik de vergeten koloniale buit uit 1838 aan bij koningin Beatrix en John Atta Mills, de (onlangs overleden) Ghanese president en nu is het eindelijk zo ver. Volgens The Ghanaian Times wordt de koning, die ik op het spoor kwam tijdens mijn onderzoek voor De zwarte met het witte hart, deze week begraven. Zolang het lichaam niet intact is krijgt de ziel geen rust, is het geloof, dus wordt het hoofd nu verenigd met de overige resten. Wist men dan na al die jaren nog waar die waren?, vroeg ik verbaasd. „Jazeker”, luidde het antwoord, „de romp is op een geheime plek bewaard in afwachting van de terugkeer van het hoofd, waarvan altijd is gezegd dat iemand het op een dag zou terugbezorgen.” Dit is de enige spijt die ik voel: hoefde ik vanavond niet te spelen, dan was ik voor deze plechtigheid zeker naar Ghana gereisd.

Donderdag 23 augustus

Repetitie voor de grote live-uitzending vanaf de Uitmarkt. Ik houd van het mechanisme van de voorstelling, een groep mensen die blindelings op elkaar vertrouwt. Ik zie, nu wij avond aan avond spelen, ook hoe die strakke discipline, die voor theater nodig is, mij altijd heeft geholpen bij het schrijven. Nog vijf weken spelen we. Als het publiek zo uitbundig blijft, dan wordt dat elke avond feest. Dit avontuur voedt me, zoals gedacht. De eerste pagina’s van de volgende roman staan inmiddels dan ook op papier. Zoals Zonne zegt: af en toe moet een mens uit zichzelf stappen om te zien hoe de voorstelling die hij zich maakt, zich verhoudt tot de voorstelling die hij geeft.