Wanneer is een verdachte (wel) ontoerekeningsvatbaar?

De Noorse rechtbank vond massamoordenaar Anders Breivik vandaag toerekeningsvatbaar. Tegelijk vinden velen zijn gedrag zo afwijkend dat hij wel gestoord ‘moet’ zijn. Ook de psychiaters in Noorwegen spraken elkaar tegen. De Noorse rechtbank moest kiezen tussen twee rapporten waarin de ene psychiater hem tijdens zijn daad psychotisch en schizofreen vond en de ander hem op dat moment psychisch wel normaal vond functioneren. Toerekenbaarheid gaat juridisch over de vraag of de verdachte op het moment van zijn daad zelfstandig zijn wil kon bepalen.

Hoe stellen psychiaters het vast?

Maar hoe stellen psychiaters dat eigenlijk vast? En welke vragen stellen rechters precies? In Nederland werkt de forensische psychiater de volgende vragenlijst af.

  • Is bij de verdachte sprake van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens? Welke diagnose hoort daarbij?
  • En hoe zat dat op het moment van het misdrijf? Kon hij toen zijn wil bepalen?
  • Bestaat er een verband tussen het misdrijf en de stoornis of gebrekkige geestelijke ontwikkeling? Zijn er eventuele andere risicofactoren? Kan het misdrijf daaruit verklaard worden?
  • Op welke manier, in welke mate en hoe toerekeningsvatbaar is de verdachte dan?
  • Als de stoornis blijft bestaan hoe groot is dan de kans op herhaling?
  • Hoe kan herhaling worden voorkomen of beperkt?

De diagnoses die forensische psychiaters bij de kindermisbruiker Robert M stelde luidde pedofiel, hyperseksueel, antisociaal en narcistisch. Het leverde hem 18 jaar cel op, in plaats van de maximale 20, en TBS. In 25 procent van het totaal aantal strafzaken wordt in Nederland het oordeel van psychiaters gevraagd. Dat zijn er zo’n 4 tot 5000.

De diagnose die het vaakst tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid leidt, is psychose. In één op de vier zaken waarin de verdachte psychotisch was, kreeg de Nederlandse rechter het advies de verdachte niet toerekeningsvatbaar te verklaren. Bij depressies of manies (stemmingsstoornissen) werd ontoerekeningsvatbaarheid in 22 van de 580 zaken geadviseerd.

Wie onder invloed een misdrijf pleegt heeft een lage kans op het advies ontoerekeningsvatbaar. Dat werd in Nederland in 86 van de 1.502 zaken geadviseerd. Gebruik van alcohol en andere drugs is alleen verontschuldigend als het pathologisch wordt gebruikt, als gevolg van een ernstige verslavingsziekte.

Seksuele aberratie was in 4 van de 109 onderzochte zaken voldoende voor het advies ontoerekeningsvatbaar. Zwakzinnigheid leidde in 10 van de 183 zaken tot het advies ontoerekeningsvatbaarheid. En persoonlijkheidsstoornissen leidde in 74 van de 2859 gevallen tot het advies het delict niet toe te rekenen. Meestal was daarbij sprake van een combinatie met een andere stoornis.

Zijn de diagnoses betrouwbaar?

Over de betrouwbaarheid van deze diagnoses is veel te doen. De bulk aan adviesrapporten wordt geschreven door de 560 vrij gevestigde psychiaters en psychologen die de opleiding forensisch rapporteur volgden en daarna zijn erkend en ingeschreven als gerechtelijk deskundige. De rapporteurs vergaren informatie bij eerdere hulpverleners, zoals de huisarts, psychologen, psychiaters, eventuele gezinsvoogden en doen een uitgebreide ‘anamnese’ bij de verdachte. Dat komt neer op gericht vragen stellen en observeren met het oog op een diagnose. Soms worden ook ouders, partner, collega’s of kennissen geïnterviewd. En er wordt getest – vaak op intelligentie.

In maart promoveerde de juriste Corrie van Esch aan de Leidse rechtenfaculteit op dit onderwerp. Niet iedere gedragsdeskundige die bevoegd is, is ook bekwaam, luidde simpelweg haar conclusie. En: de strekking van het advies hangt net zo goed af van de kenmerken van de deskundige als van de verdachte.

Van Esch onderzocht 123 oudere rapporten, een steekproef uit het eerste half jaar van 2001. Slechts in één op de drie rapporten trof zij toen een min of meer duidelijke beschrijving aan van het verband tussen de stoornis en het delict. Zij trof rapporten aan waarin geen enkel verband tussen het misdrijf en de stoornis werd beschreven, maar de verdachte wel volledig ontoerekeningsvatbaar zou zijn geweest.

Rapporten vaak tegenstrijdig

Werden verdachten door twee verschillende deskundigen onderzocht, dan verschilde de uitkomst vaak ‘behoorlijk’. Rapporten bevatten vaak tegenstrijdige formuleringen en veel jargon. Ook gebrek aan stelligheid en onderbouwing was een euvel. Waarom de deskundige een diagnose precies stelde, werd vaak niet beargumenteerd. Met de verdachte werd ‘niet of nauwelijks’ gesproken over zijn misdrijf.

Recidivevoorspellingen vond zij ‘op drijfzand gebouwd’. Er werd ‘geen enkele keer’ een gestructureerde klinische methode gevolgd die als ‘state of the art’ kon worden beoordeeld.

Er is ook ooit wetenschappelijk getoetst hoe betrouwbaar deze onderzoeken zijn. Aan zulke experimenten ‘op mensen’, verdachte én slachtoffer, kleven immers ethische bezwaren. Ook is het onbekend wat er precies met de adviezen gebeurt. De rechtspraak rapporteert niet structureel hoe de adviezen worden gewogen bij het vonnis, wat er precies mee wordt gedaan en hoe ze intern worden beoordeeld. Ook wat volgende gebruikers met het advies doen, is vaak onbekend – klopt de diagnose nog als er een vervolgbehandeling wordt begonnen? Wanneer duikt de cliënt weer in het strafrechtelijk circuit op en is er dan een verband met de ooit geconstateerde stoornis? Intussen concludeerde Van Esch concludeerde dat de rechters in het eerste half jaar van 2001 grif meegingen met de adviezen. In 80 procent van de vonnissen kwamen letterlijke passages of parafraseringen voor. Naar tien procent werd in het vonnis verwezen. Tien procent van de rapporten werd genegeerd.

(Een uitgebreide versie van dit artikel verscheen op 9 juni in het katern Wetenschap onder de kop ‘Sterk verminderd meetbaar’)