Uittreder

Hoe lang was het geleden dat ik Hans voor het laatst had gezien? Minstens vijftien jaar. We kwamen elkaar nu tegen op een feestje van gemeenschappelijke vrienden.

We herkenden elkaar meteen en riepen enthousiast dat de ander „nauwelijks iets veranderd was”, wat in zekere zin waar was, maar in andere zin ook weer niet. Over jezelf kun je gelukkig niet goed oordelen, maar Hans was wel degelijk een stuk kaler, grijzer en krommer geworden. Ook zijn ogen stonden wat doffer, alsof hij ergens heel erg moe van geworden was. Vijftien jaar is ook niet niks.

Tijdens het uitwisselen van de overige beleefdheidsformules pijnigde ik mezelf met de vraag wat er in het laatste deel van zijn arbeidsleven ook weer met hem gebeurd was. Waarom kan je geheugen zulke feiten niet aanleveren als je ze nodig hebt?

Hij was leraar geweest op een middelbare beroepsopleiding, maar opeens was hij daarmee opgehouden. Wat was hij daarna ook weer gaan doen? Opeens wist ik het weer: niks, helemaal niks. Hans had het voor gezien gehouden, de ratrace kon wel zonder hem, en hij zonder de ratrace zolang hij in zijn levensonderhoud kon voorzien.

„Hoe zat het ook weer met je werk?”, vroeg ik voorzichtig toen we aan ons tweede biertje waren begonnen. „Jij bent toch eerder gestopt?”

„Jazeker”, zei hij, „en ik heb er nooit spijt van gehad.”

„Geen zwart gat?”

„Ben je gek, ik heb zoveel hobby’s en we passen veel op de kleinkinderen. Ik kom elke dag tijd tekort.”

Dat had ik vaker gehoord van vervroegde uittreders en ik geloofde ze. Veel mensen krijgen op den duur genoeg van hun werk, méér dan ze openlijk toegeven. Ophouden met werken is voor hen een grote opluchting, een keus voor een ontspannen dobberen op een zee van vrije tijd.

„Hoe oud was je ook weer toen je eruit stapte?”, vroeg ik.

„Het is nu 17 jaar geleden, ik was toen… 52 jaar.”

Hij glimlachte toen hij mijn verbaasde blik zag. „Ja, vroeg hè? Maar ik was niet de enige. In het mbo hadden we in die jaren een landelijke regeling voor scholen waar overtalligheid van leraren was. Je kon jezelf opgeven als je ermee wilde ophouden. Dat heb ik meteen gedaan. De eerste keer lukte het niet, toen waren er al vijf voor me, maar het jaar daarop viel ik in de prijzen.”

Hij stelde het nog altijd met innige tevredenheid vast. „Het was een schitterende regeling. Ik kreeg tot mijn 65ste liefst 80 procent van mijn salaris doorbetaald, daarna ging gewoon mijn pensioen in.”

Dat was de tijd – halverwege de jaren negentig – dat de overheid nog parmantig voor sinterklaas kon spelen, dacht ik, maar ik hield het keurig voor me. Het bleek niet nodig, want hij voegde er uit zichzelf aan toe: „Een belachelijk luxueuze regeling natuurlijk, maar had ik het daarom moeten weigeren? Ik was eraan toe.”

Nee, hij mankeerde destijds lichamelijk niets, hij had alleen de pest gekregen aan zijn werk toen hij voorbij de vijftig raakte. „Leerlingen nemen steeds minder van je aan naarmate je ouder wordt. Je bent een oude lul voor ze. Er ontstaat een generatiekloof waar niet tegen te vechten valt. Het bestaan van een leraar is eenzaam, je staat er alleen voor, collegiale contacten gaan niet diep, het is ieder voor zich. Ik raakte opgebrand. Nog een biertje?”

Terwijl hij naar de tap liep, zag ik hem weer even voor me, zoals ik me hem van vroeger herinnerde: gretig, ambitieus – een man met toekomst.