Slapen in een bed violen

Bette Westera en Sylvia Weve: Aan de kant, ik ben je oma niet! Gottmer, 60 blz. 19,95. 9+

Kinderen kunnen zich meestal niet voorstellen dat ze ooit zo oud als hun opa en oma zullen zijn, of dat die ooit jong zijn geweest.

Voor wie een langzaam, vergeetachtig, misschien wel zeurderig mens met kwalen en steunkousen en weinig tekst als grootouder heeft, is dat extra veel gevraagd. Maar leuke mensen of niet, ze hebben allemaal een leven en een verhaal.

In Aan de kant, ik ben je oma niet! kijkt Bette Westera achter de deuren in een verzorgingstehuis en vertelt/dicht over de bewoners: hoe ze er nu bij zitten, en hoe ze vroeger waren, als kind of jong mens.

Dat levert mooie en droevige verhalen op, grappige en zure, waarin Het Leven voorbijkomt: dood, liefde, zorgen, succes, talent, oorlog, kinderloosheid. En wat een hedendaags tehuis is het; er wonen ook een parttime-zwerver, een Turkse man en een lesbisch stel. Een van de zusters heet Fatima.

In Westera’s tekst op rijm klinkt de echo van Annie M.G. Schmidt geregeld door. Zoals in het verhaal van het echtpaar Roest-van Remmerswaal, dat ‘drinkt zelden koffie in de zaal,/ betaalt nooit mee aan een cadeau/ en vindt het eten maar zozo,/ de kamers krap, de douche te klein,/ de tuin niet mooi, de lift niet fijn’.

Het leest heerlijk, hardop. Het plezier zit hem ook in de combinatie met indeling en illustraties. Na het verhaal waarin een bewoner wordt geschetst, komt op een dubbele pagina zijn of haar jongere versie aan bod.

Dan lees je bijvoorbeeld dat Meneer van Bemmelen ‘van nummer 8’, die met zijn lelijke kop, als achtjarig jochie het allerlelijkste hondje uit een nest koos.

En dat mevrouw Van der Marel, die zich op haar 89ste ‘heel sierlijk, dat wel’, onder de bingo uitkleedt, vroeger stripteasedanseres was: ‘Zou er iemand zijn die haar wil helpen met haar kousen?/ Twee beleefde heren vechten samen om de eer./ Langzaam gaan de kousen uit en daarna is het pauze. / Nee, nog niet naar huis gaan alstublieft, er komt nog meer.’

Wervelende, veelkleurige illustraties van Sylvia Weve vormen door hun collage-achtige opzet verhalen op zichzelf. Meneer van Dam wordt elke avond door een zuster naar het stadsplantsoen gebracht, waar hij in een bed violen gaat slapen. We zien hem tevreden liggen op een rij bloemetjes, en wat hij daarbij voelt: alsof hij in een heel groot, heel wit, heel stil bed ligt.

Sla dan de bladzij om. In blauw, rood en groen de jeugd van meneer van Dam: schreeuwende broers, omvallende meubelen, een alwéér zwangere moeder, een grote krijsende kat en een piepklein bouwval als huis – je ziet de herrie.

Wie zou niet zijn knapzak pakken en in een park gaan slapen.