Op de zesde dag komt alles in beweging

Mark Haddon: Het rode huis. Vert. Harry Pallemans. Atlas Contact, 268 blz. € 18,95

‘Familie’, staat er tussen aanhalingstekens aan het begin van Het rode huis, ‘dat glibberige woord, een ster waarop elk dwalend schip zich richt, en iedereen vaart onder een andere hemel.’

Familierelaties zijn in de derde roman van Mark Haddon – hij is wereldberoemd vanwege zijn Asperger-roman Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht (2004) –, een mijnenveld van oud zeer en onuitgesproken oordelen. Toch brengen de gezinnen van broer Richard en zus Angela een vakantieweek samen door in Wales. Ze waren ‘al twintig jaar bezig elkaar te mijden’, maar de recente dood van hun moeder bracht toenadering.

Hoezeer er onder meer hemels gevaren wordt, laat Haddon zien door telkens van camerastandpunt te wisselen: we registreren de gebeurtenissen in het (rode) vakantiehuis door de ogen en gedachten van alle acht familieleden. De rappe wisselingen geven de roman aanvankelijk iets kakofonisch, maar ze voeren ook de spanning op: er sudderen affaires, verlangens, verwijten en verdriet.

De eerste helft van de roman, grofweg de eerste helft van de week, suddert er vooral veel. De dagen bewegen zich van maaltijd naar maaltijd en heel af en toe gebeurt er, in Haddons woorden, ‘iets om zich aan vast te houden in dit grote schuivende niets van gedwongen ledigheid’.

De kinderen zorgen nog voor de meeste actie: de getroebleerde puber Daisy zoekt toenadering tot haar stiefnichtje Melissa ‘met haar glossy raspaardjesuitstraling’, het alfamannetje-in-spe Alex doet stoere dingen met zijn jongere wervelwindbroertje Benjy. Haddon is erg goed in de tekening van zijn personages (alle acht), doordat hij noteert wat ze lezen en luisteren, of door de ijzersterke passage waarin hij per persoon in één zin hun politieke wereldbeeld én karakter neerzet. Dat die uitweidingen wat traagheid opleveren, neem je met terugwerkende kracht voor lief. Want er gebeurt nog wat, op de zesde dag, en dan blijken er ongemerkt de nodige voorbereidingen getroffen. ‘Een lege witte kunstmestzak danst over de flank van de heuvel,’ vertaalde Harry Pallemans mooi, wanneer er noodweer van bijbelse proporties losbarst, nét als Richard in z’n eentje hardloopt – en zijn enkel verstuikt. Het lichte paniekgevoel van de thuisblijvers brengt de frustraties tot een kookpunt en, weer zo’n mooie zin van Haddon, ‘de regen houdt op en de wereld ziet eruit alsof hij een onderhoudsbeurt heeft gehad en is gerepareerd en teruggegeven’. Zo wordt er in Het rode huis toch nog iets in gang gezet.