Nieuwe VOC: kruidnagel met cement

Ondernemer Robert van Buchem ging in 2005 in specerijen. Nu verscheept Q-Spicing jaarlijks 120 tot 150 containers.

Robert van Buchem vindt het nogal afgezaagd, als Nederlanders vragen of hij ‘de nieuwe VOC’ is. Maar inderdaad: hij is Nederlands en handelt in Indonesische specerijen. Net als de Vereenigde Oostindische Compagnie vanaf de 17de eeuw. Nootmuskaat, kaneel, peper, kruidnagelen: containers vol verscheept zijn bedrijf Q-Spicing naar het Westen.

En soms ziet Van Buchem ook overeenkomsten met vroeger. Want de teelt van specerijen is altijd kleinschalig gebleven. Bijna alle nootmuskaat in westerse worsten komt van bewoners op de Molukken en Sulawesi, die een paar boompjes in hun achtertuin hebben. „De Chinese tussenhandelaar is er ook nog steeds, het enige verschil is dat hij nu een mobiele telefoon heeft”, zegt Van Buchem.

Hij laat een foto zien van zo’n handelaar op Ambon, omringd door zakken nootmuskaat en een weegschaal. Bewoners komen daar met een plastic zak noten en vertrekken met wat geld. Op kleinere eilanden is zelfs ruilhandel nog gangbaar, vertelt Van Buchem in zijn koloniale huis naast de botanische tuin van Bogor. Tussenhandelaren laden een boot vol rijst, suiker, tweedehands rijstkokers en bromfietsen, en varen alle eilanden af. Ze keren terug met duizenden euro’s aan nootmuskaat.

Van Buchem is een van de ondernemers die mogelijkheden zagen in Indonesië, een van de populairste opkomende markten ter wereld. De economie groeit met zo’n 6 procent per jaar en ging vorig jaar die van Nederland voorbij. Met het op drie na grootste inwonertal ter wereld, zal het daar niet bij blijven.

Van Buchem werkte voor voedingsbedrijf Numico in Jakarta, toen hij in 2005 besloot voor zichzelf te beginnen. Hij bouwde een fabriek en reisde de archipel af op zoek naar boeren en handelaren.

Nu verscheept hij jaarlijks 120 tot 150 containers met vooral kaneel en nootmuskaat en groeit zijn omzet met dubbele cijfers. Voor die kruiden schat hij dat 3 tot 4 procent van de wereldproductie door zijn handen gaat. Zijn grootste klanten zijn westerse voedingsbedrijven die de specerijen verwerken in vleeswaren, kruidenmixen, thee of andere eetwaren.

Inmiddels levert hij ook aan Indonesische voedingsgiganten als Indofood. Op termijn verwacht hij dat zijn percentage omzet uit Indonesië zal stijgen van 10 tot 30 à 40 procent. Het land heeft een sterk groeiende middenklasse die steeds meer verpakt eten koopt. Zoals instant noedels, waar veel peper in zit. „Terwijl je in Nederland zit te pielen over een tonnetje, gaat het hier met trucks tegelijk.”

De handel in Indonesische specerijen gaat terug tot de tweede eeuw voor Christus, toen Chinese kooplieden kruidnagel uit de archipel haalden. Tijdens de Han-dynastie mocht niemand spreken met de keizer voor hij op een Molukse kruidnagel had gezogen om een frisse adem te krijgen. Later dwong de VOC met harde hand een monopolie af, net zoals met nootmuskaat. Beide gewassen groeiden tot de 18de eeuw alleen op enkele Molukse eilanden, die de ideale combinatie hadden van een hoge vochtigheid en vulkanische grond.

Nog steeds is Indonesië verreweg de grootste producent van kruidnagel en nootmuskaat. Maar Van Buchem ziet hoe het land zijn positie met andere specerijen dreigt te verliezen. Vietnam heeft Indonesië in tien jaar ingehaald als peperproducent en is nu de grootste ter wereld. Daar introduceert de overheid gewassen met een hogere opbrengst, zegt hij. Volgens de International Pepper Community produceren Indonesische boeren gemiddeld zo’n 400 kilo peper per hectare; in Vietnam is dat bijna zes keer zoveel.

In de fabriek in Karawang geurt het naar kaneel en kruidnagel. Drie vrouwen sorteren in een hoge hal nootmuskaatnoten. Kaneelstokken van een halve meter liggen te wachten tot ze in stukjes worden gehakt. Ze komen uit een bos in Sumatra, waar Nederlandse kolonialen al voor de kaneelbomen kwamen. Het is het enige product dat van één grote leverancier komt.

De andere specerijen koopt Q-Spicing in van duizenden boeren en handelaren, en die zijn niet altijd te vertrouwen, vertelt fabrieksmanager Daniel Sutanto. Peperboeren maken bolletjes van cement die ze met de peper vermengen, zodat hun koopwaar zwaarder lijkt. Leveranciers laten de gewilde olie al uit de kruidnagel destilleren, zodat het bedrijf nagels zonder smaak binnenkrijgt. „Ze spuiten er kruidnagelolie overheen, zodat het toch geurt.” Ladingen specerijen zitten vol afval. Plastic, spijkers, stenen: Sutanto stuurt het terug en trekt het van de kiloprijs af.

Van Buchem’s belangrijkste missie is nu om boeren te trainen, zodat ze betere kwaliteit leveren. Maar het blijft lastig om gewoontes te veranderen die boeren al eeuwen hebben, zegt hij. Net zoals vroeger steken bijna alle boeren zich in de schulden en moeten ze hun oogst zo snel mogelijk verkopen om af te lossen. Dus laten ze de kruiden soms niet lang genoeg drogen en krijgt Van Buchem beschimmelde nootmuskaat binnen.

Hij stuurt zelf verpakkingsmateriaal op, want aanvankelijk kreeg hij soms specerijen aangeleverd in zakken waar kunstmest of chemicaliën in hadden gezeten. En hoe overtuig je peperboeren dat ze moeten voorkomen dat kippen over de peperkorrels plassen die voor hun huis liggen te drogen? „Als je zegt dat er geen kippen overheen mogen lopen, kijken ze je aan alsof je gek bent. Die kip loopt er al honderd jaar.”