Liever alleen zoeken dan samen zwijgen

David Grossmans nieuwe boek draait om zijn gesneuvelde zoon Uri. Niet om diens leven, maar om zijn afwezigheid. Grossman tekent de gezichten van de rouw haarfijn uit.

‘Al vijf jaar is hij alleen maar niet en nog eens niet’, schrijft David Grossman over zijn dode zoon Uri Foto Shutterstock

Onvermijdelijk begint het boek met de onheilstijding: ‘Wij openden de deur voor hen, deze deur,/ hier stonden wij, jij en ik,/ schouder aan schouder,/ daar. Op de drempel, zij,/ wij tegenover hen,/ en zij, met mededogen,/ afgemeten, stil,/ stonden er/ en bliezen ons/ de geest der doden in.’ De geest der doden die door de bezoekers wordt ingeblazen verwijst naar de dood van Uri Grossman, zoon van de Israëlische schrijver David Grossman. De tank waarin de soldaat Uri zat werd in 2006 in Zuid-Libanon door een granaat getroffen.

Voor veel schrijvers van wie een kind sterft, is het een natuurlijke impuls om een boek over zo’n verlies te schrijven, of het nu Anna Enquist of A.F.Th. van der Heijden is, Joan Didion of Isabel Allende – en dan zijn er daarnaast alle auteurs die erover zwijgen. Bij David Grossman was het bijzondere dat hij zo’n boek eigenlijk al aan het schrijven was. Zijn roman Een vrouw op de vlucht voor een bericht (2008) vertelt het verhaal van een moeder die niet wil afwachten wat er gebeurt als haar zoon het leger ingaat en door Israël trekt.

Grossman had het grootste deel van dat boek al geschreven voordat zijn zoon stierf en hij moest het afmaken nadat het angstvisioen van zijn hoofdpersoon voor hem en zijn echtgenote waarheid was geworden. Zo ging Een vrouw op de vlucht voor een bericht wél en niet over de dood van Uri Grossman. Evenzeer is het een grote roman over het hedendaagse Israël.

Alles over de dood van zijn zoon was er niet mee gezegd. Dat is te lezen in Uit de tijd vallen , dat deze week in vertaling verschijnt. Dit boek draait helemaal om de dood van Uri Grossman, of preciezer: om zijn afwezigheid. Het is een boek over rouw waarin de dode niet bij naam genoemd wordt. En dat de voyeuristische behoeften van de lezer niet bevredigt. Afgezien van wat herinneringen aan geuren komen we maar weinig over Uri’s leven te weten.

Daarin is het boek een tegenhanger van Tonio, de requiemroman van A.F.Th. van der Heijden. Weliswaar begint ook dat boek met het bezoek van de functionarissen die de ouders komen vertellen dat hun zoon is gestorven – ‘je kon de dood in je mond houden, als was die een snoepje van gif’, schrijft Grossman over de tocht van de agenten. Van der Heijdens boek bestaat vervolgens uit een prozastroom waarin hij probeert de feiten uit het bestaan van zijn verongelukte zoon Tonio literair vast te leggen, te achterhalen, te ordenen, en zich desnoods te verbeelden wat in de werkelijkheid verdwenen is.

Grossman kiest een andere weg. Hij noemt geen namen en geen feiten. In het begin van de vertelling zitten een man en een vrouw aan tafel, de ouders van een gestorven zoon. De man verklaart dat hij weg moet, ‘naar hem’. Zijn vrouw probeert hem thuis te houden (‘Al vijf jaar is hij alleen maar niet en nog eens niet’), maar de man kan toch niet meer stil blijven zitten: ‘Misschien begrijpt hij niet hoe we hem zo hebben kunnen opgeven, meteen, op het moment dat ze ons inlichtten...’ Ze hebben hun kind vijf jaar ‘doodgezwegen’, zegt hij – en dat houdt hij niet meer vol. Hij gaat liever alleen op zoek dan samen te blijven zwijgen. Dus vertrekt hij, op weg naar niets, maar onder het motto: ‘Als we erheen gaan, is er een daar.’ Daarmee stuurt Grossman zijn hoofdfiguur op een abstracte zoektocht. De vorm die hij daarvoor heeft verkozen ligt dichter bij poëzie dan bij proza: hij geeft de man en vrouw afzonderlijk het woord. Ze spreken in regels als:

Hem zonder zijn niet-zijn

Kan ik me niet meer heugen.

En hoe langer de tijd,

des te meer het lijkt

alsof zijn niet-zijn

al toen hij nog was

aan hem was te zien –

Het levert een beeld op dat minder rauw is dan bij Van der Heijden, maar dat vol staat met gedachten en observaties die de paniek voelbaar maken: ‘Zal ik je ooit weer zien zoals je bent/ en niet zoals hij niet meer is.’ Bovendien is dit nog maar het begin van het boek. Tussen de stemmen van de man en de vrouw door neemt een ‘stadschroniqueur’ het woord, die in feitelijk proza weergeeft wat er voorvalt.

Maar hij heeft het niet alleen over de man en de vrouw, hij verlegt zijn aandacht geleidelijk naar een vroedvrouw, een schoenmaker, een hertog, een nettenmaakster, een oude onderwijzer, een centaur en tenslotte zichzelf. Zo blijkt dat al deze figuren het verlies van een kind gemeen hebben. Zo wordt de ‘lopende man’ opgenomen in een rouwstoet van verschillende karakters. (Waarom is er eigenlijk geen woord voor ouders die een kind hebben verloren?)

Daarbij is de confrontatie tussen de stadschroniqueur en de centaur het interessantst, want zij schrijven. Of liever gezegd, zij schreven. Want de chroniqueur heeft van de hertog bevel gekregen alles op te schrijven wat er in de stad gebeurt, maar over zijn verdriet te zwijgen. Hij spreekt alleen nog in formele zinnen; hij kan nog wel schrijven, maar hij kan zijn gevoel er niet meer inleggen. Bij de centaur is het omgekeerd: die barst van het gevoel, maar krijgt geen woord meer op papier sinds de dood van zijn zoon vijftien jaar geleden. Hij wordt razend wanneer de chroniqueur hem bezoekt om zijn bestaan vast te leggen: ‘Vooruit dan, omgord je kloten ambtenaartje. Schrijf op dat het is als dorre bladeren. Wat gaap je me aan als een idioot? Bladeren! Maar wel dorre, hè? Verkruimelende, dode bladeren, heb je dat? En de hele tijd loopt er iemand op die bladeren te trappen.’

Bij elke ontmoeting begint de centaur een nieuwe tirade, gedreven door de woede van de man die moet schrijven, maar daar al vijftien jaar niet meer toe in staat is: ‘Zo is dat bij mij, klerkenventje van me’, roept hij uit in een van zijn tirades, ‘zo ben ik gebouwd. Een feit! Pas in staat iets te begrijpen als ik het op papier zet […] IK MOET HET HERSCHEPPEN IN DE VORM VAN EEN VERHAAL! Begrepen? Hét, idioot! […] Hét, de klotestreek die mijn kind en mij geleverd is, ja, ik moet het door elkaar mengen in een verhaal, het moet. Met verwikkelingen! En er moet verbeelding in! Hersenspinsels, vrijheid, dromen! Vuur! Een kokende heksenketel!’

Een kokende heksenketel is Uit de tijd vallen niet geworden, daarvoor is Grossmans beheersing te groot. Juist die stelt hem in staat om de verschillende gezichten van de rouw haarfijn uit te tekenen: de machteloze woede van de centaur, de emotionele onmacht van de chroniqueur en het onvermogen van de man en de vrouw om het verdriet samen te beleven, hoe zeer ze zich dat ook hadden voorgenomen. Daarbij is het aangrijpende dat al die gezichten van het verdriet in dit boek netjes verdeeld zijn over de personages, maar dat in de werkelijkheid van de rouw ze allemaal steeds weer in hetzelfde hoofd de kop op steken.

De troost schuilt uiteindelijk in de gezamenlijkheid, in de wetenschap niet de enige te zijn. Die maakt dat aan het eind zelfs de centaur is gekalmeerd en weer kan schrijven. Om vervolgens de akelige ontdekking te doen dat ook schrijven niet helpt tegen de dood. Grossman geeft de centaur het laatste woord:

Alleen: het breekt mijn hart, mijn schat,

te denken dat ik –

dat het kan –

dat ik daarvoor woorden heb gevonden.