Lelijke buizen die internet heten

Journalist Andrew Blum verkent de ‘onzichtbare god’ internet. Op reis langs buizen, kusten, en verdeelstations wordt ‘god’ nog mysterieuzer.

‘Maakindustrie’ is een lelijk woord voor wat vroeger gewoon industrie heette. Onder invloed van het Engels, waarin bijna elke tak van bedrijvigheid een ‘industry’ wordt genoemd, spreken steeds meer Nederlandse economen nu van ‘maakindustrie’, ter onderscheiding van bijvoorbeeld het bank- en verzekeringswezen, de ‘financiële industrie’, die geen tastbare objecten voortbrengt.

Het afgelopen jaar is het bestaan van een ‘maakindustrie’ vaak gebruikt om het verschil tussen de economische prestaties van Nederland en Duitsland te verklaren. Duitsland doet het sinds het begin van de economische crisis in Europa in 2008 beter dan Nederland, zo denken economen, omdat het nog een grote maakindustrie heeft en bijvoorbeeld auto’s naar China kan exporteren. Achterliggende gedachte bij deze verklaring is dat de basis van een gezonde economie nog altijd de productie van dingen is en niet het verschuiven van geld en informatie waar Nederland zo goed in is.

Ook in Een hologram voor de koning, de nieuwe roman van Dave Eggers, heerst een groot verlangen naar het maken van dingen. De Amerikaanse ‘maakindustrieën’ zijn grotendeels verplaatst naar China, de nieuwe werkplaats van de wereld, laat Eggers zijn personages verschillende keren vaststellen. De gevolgen hiervan voor de geestelijke gesteldheid van veel, vooral oudere, Amerikanen is rampzalig. Zo voelt de hoofdfiguur in de roman, de vijftiger Alan Clay, zich overbodig. Clay en zijn generatiegenoten zijn ‘geboren in een wereld waarin dingen werden gemaakt en later verdwaald in een wereld die daar haaks op staat’.

Clay verlangt terug naar het maken en verkopen van fietsen. Hiermee begon hij zijn carrière, maar nadat de fietsfabriek in de jaren negentig was verplaatst naar China, werd hij een sappelende zzp’er in vage bedrijfsadviezen. Hij heeft veel schulden, onder meer doordat hij een prototype van een fiets heeft laten maken die hij in de VS wil laten produceren.

Zijn schulden hoopt hij af te betalen met het geld dat hij krijgt voor zijn hulp bij de verkoop van hologramtechnologie in het Midden-Oosten. Samen met een paar computerexperts zit hij in een tent in een nieuw te bouwen stad in Saoedi-Arabië om de plaatselijke koning te laten zien hoe mensen van de andere kant van de wereld daar als hologrammen levensecht kunnen verschijnen.

Ook in Tubes. Behind the scenes at the internet, het verslag van de vroegere Wired-journalist Andrew Blum van zijn reis langs de infrastructuur van internet, draait het om echtheid. Het ‘virale karakter’ van internet, waarmee Blum het gemak bedoelt waarmee muziek, films, afbeeldingen en alle andere informatie kunnen worden gereproduceerd, bedreigt het ‘aura’ ervan, zoals de Duitse filosoof Walter Benjamin de ‘unieke essentie’ van kunstwerken noemde in zijn beroemde essay Das Kunstwerk im Zeitalter seiner technischen Reproduzierbarkeit (1936). En het verlies van aura roept een verlangen naar echte dingen op.

Eekhoorn

Blum zelf merkte de echte, fysieke kant van internet op, toen hij op een dag thuis zat te werken en internet uitviel. De oorzaak bleek een eekhoorn die aan een kabel in de tuin van zijn huis in Brooklyn had zitten knagen. Plotseling besefte Blum dat internet, vaak voorgesteld als een ‘wolk van informatie’, ook een stoffelijke kant had. Misschien, zo bedacht hij, had de Amerikaanse senator Ted Stevens wel gelijk toen hij, tot vermaak van alle computernerds, internet in 2006 omschreef als ‘een serie buizen’. Hij besloot de infrastructuur en de geografie van internet in kaart te brengen.

Zijn reis voerde hem langs vele plekken in de VS en Europa, waaronder niet alleen grote steden als Los Angeles, New York en Londen, maar ook dorpjes als Porthcurno in Cornwall. Buizen, leidingen en kabels blijken inderdaad van essentieel belang; in wezen bestaat internet uit licht dat door glasvezelkabels gaat. Die lopen over de bodem van de oceanen, van de VS naar Europa en van Europa naar Zuid-Afrika.

Op de continenten komen ze aan in onopvallende gebouwtjes, vanwaar de lasersignalen worden doorgezonden naar grote verdeelstations in steden als Frankfurt en Amsterdam. In de laatste stad maakt Blum een tocht langs gebouwen waar internetgegevens samenkomen en worden doorgestuurd. Ze staan aan de rand van de stad en zijn net zo anoniem en lelijk als de self-storage-gebouwen, de dichte dozen met opslagruimtes voor particulieren.

Blums reisverslag is ook een geschiedenis van internet. In de Boelter Hall van de Universiteit van Californië (UCLA) in Los Angeles laat Leonard Kleinrock, een van de vaders van internet, hem het kastje zien waarmee het allemaal begon: de IMP # 1. Op 29 oktober 1969 werd de IMP # 1 verbonden met de IMP # 2 van de Stanford Universiteit bij San Francisco, waardoor de computernetwerken van beide universiteiten op elkaar waren aangesloten. Later werd dit ‘internetwerk’ uitgebreid met meer netwerken en toen in 1983 een gemeenschappelijke programmeertaal voor alle aangesloten netwerken werd geïntroduceerd, was de basis gelegd voor het huidige wereldomvattende internet.

Met zijn reis langs de afzichtelijke verdeelstations met hun zwarte, gekoelde interieurs en buizen die op zeekusten uitkomen, wil Blum laten zien dat internet geen ‘onzichtbare god’ is. Maar de paradox van zijn reis is dat hij het mysterie uiteindelijk eerder vergroot dan verkleint. Hoe langer zijn reis door de internetwereld duurt, des te groter de verbazing over het wonder dat zoiets onwerkelijks als internet bestaat uit zo veel prozaïsche, lelijke dingen.

Koelkast

Dit beseft Blum zelf ook. Als hij in een internetknooppunt in Frankfurt uiteindelijk een MLX-32 krijgt te zien, de zwarte doos met de omvang van een koelkast die het hart van het verdeelstation is, ondergaat hij een soort godservaring: ‘Het object dat voor me stond was tastbaar én ondubbelzinnig abstract; materieel maar onkenbaar.’

Om duidelijk te maken wat hij toen voelde, citeert Blum uitgebreid Henry Adams die in zijn autobiografie The Education of Henry James de reusachtige dynamo beschrijft die in 1900 in de Galerie des Machines op de Wereldtentoonstelling in Parijs stond. Voor Adams was de dynamo ‘een symbool van oneindigheid’, schrijft Blum, ‘ongeveer wat het kruis voor de vroege christenen was.’

Toen Blum zelf de MLX-32 zag, zo zou je hieraan kunnen toevoegen, was hij als een van die prehistorische apen die in het begin van Stanley Kubricks film 2001 A Space Odyssey vol ontzag turen naar de rechthoekige, zwarte zerk die vanuit de ruimte in een aards rotslandschap is geland.