‘Lear’ leeft op als Rietman spreekt

Scène uit ‘King Lear’, met v.l.n.r.: Lykele Muus, Marieke de Kleine, Mark Rietman (Lear), Fockeline Ouwerkerk (Cordelia) en Dries Smits. Foto Leo van Velzen

King Lear van William Shakespeare door Het Toneel Speelt. Gezien: 23/8. Inl: hettoneelspeelt.nl

Zou het Shakespeares mooiste zijn, King Lear? De tragiek van die oude, aftakelende koning en zijn liefhebbende dochter Cordelia blijft altijd overeind; zelfs bij een mindere enscenering. Uit megalomanie en machtswellust verstoot Lear zijn enige oprechte kind, en legt zijn lot in de handen van haar twee arglistige zusters. Een fatale inschattingsfout.

Shakespeare toont hoe snel loyaliteit verdampt als machtsverhoudingen veranderen. Hoe vlot trouw kan omslaan in verraad en hoe ontvankelijk een ijdel mens is voor misleidend gevlei. Maar ook dat er zoiets bestaat als ware trouw en integriteit. Daar bovenop gaat King Lear ook nog over vergankelijkheid en het verstrijken van de tijd, over hoe een nieuwe generatie de vorige wegvaagt, en over de nietigheid van de mens op het wereldtoneel. King Lear is een menselijk drama met kosmische, existentialistische aspiratie.

Met die hemelbestormende ambitie, de aanzienlijke lengte, de complexe verwikkelingen en zijn twaalf personages waarvan er ook nog twee een andere identiteit aannemen, is het ook een notoir lastig te ensceneren stuk. Het is regisseur Jaap Spijkers bij Het Toneel Speelt helaas dan ook niet goed gelukt.

Maar Spijkers heeft één gouden troef, één joker: Mark Rietman in de rol van Lear. De virtuoze, zeer dynamisch spelende Rietman draagt – en redt – deze voorstelling.

Spijkers maakte een al te keurige enscenering. Hij wandelt in drie uur en een kwartier netjes het stuk langs, zonder uitschieters, zonder verrassingen. Af en toe huppelt het. Dan zijn er erupties van energie, maar die gaan verloren in de vele, tergend langzame, slepende scènes.

Decor en kostuums voegen evenmin veel toe. In het eerste deel domineert een weinig inspirerend houten huisje het toneel. In het tweede deel een (spannender) bos van zwevende kale boomstammen. Leuk zijn wel de kapsels van Marieke de Kleine (Goneril) en Bracha van Doesburg (Regan). Naarmate hun slechte karakter zich manifesteert wordt hun haardos allengs woester.

Zo flets als de regieopvatting is, zo bont is het spelersensemble. Bont, en onevenwichtig. We zien een waaier aan speelstijlen die maar geen geheel willen vormen – laat staan dat ze met elkaar een geloofwaardig universum creëren.

Er is de hevig ronkende, geaffecteerde stijl van Jules Croiset als graaf van Gloster. Dries Smits als graaf van Kent spreekt juist ingetogen en binnensmonds. Nar Fabian Jansen is ergerlijk schel, en Daan Schuurmans als Edmond subtiel ironisch. Het spel van de andere, overwegend jonge acteurs varieert van verdienstelijk tot vlak.

De tekst, een geactualiseerde versie van de vertaling van Evert Straat uit 1969, is meeslepend, royaal en romig. Schitterende zinnen klinken op. Maar wat maakt het een verschil wie die uitspreekt. En wat verlang je ernaar dat Mark Rietman dat doet.

Op slippers en in zijden peignoir met blote bast is hij eerst de rockster op leeftijd; onaantastbaar, arrogant. Zo’n man die alles vergokt omdat hij niet verliezen kan. Als dat toch gebeurt, brokkelt zijn wereldbeeld af, en daarmee zijn geest. Ongeloof, verdriet en drift verdringen zich op zijn gezicht, Rietman schakelt van hevig vlammen naar intens smeulen, van waakvlam naar bosbrand en terug. Hij sist en spuwt, gromt en vloekt, mompelt even inwendig en lacht dan weer triomfantelijk.

Virtuoos is zijn woede, ontroerend zijn aftakeling. Dement en kinds huppelt de voormalige koning door het bos; hilarisch en hartverscheurend. De scène waarin hij in Arme Tom een lotgenoot herkent („Wie ben jij geweest?”), en er weer iets opflikkert van zijn oude ik, raakt diep. En de slotscène, waarin hij zijn Cordelia alsnog verliest, doet alle kritiek even verstommen. „Huil!” beveelt Rietman. En dat doe je dan toch.