Kies maar: liefde of geld

Halverwege de in 1905 verschenen roman Eenzaamheid van de Catalaanse schrijfster Victor Català ziet de vrouwelijke hoofdpersoon een merkwaardig groepje de berg opkomen waar zij woont. ‘Een paard waar schrijlings een spookachtige verschijning op zat: een jongeman zo geel als verse was, met een stijve nek en een door een oud abces vertrokken mond. Naast hem liep een knappe en nog jonge vrouw [...]. Haar ogen hadden de doffe en vermoeide uitdrukking van die van een oude vrouw.’

Het is, zo schrijft vertaler Frans Oosterholt in zijn voortreffelijke nawoord van de roman Pilar Prim die een jaar later verscheen, alsof de schrijver Narcís Oller heeft ‘ingebroken’ in de eerste hoofdstukken van Català’s verhaal. Ook hij laat een jonge vrouw de bergen intrekken, vergezeld van een kwijnend zoontje.

Zo afgebeuld als Català haar beschrijft is Pilar Prim bij lange na niet, en haar zoontje heeft volgens haar hoogstens ‘een zwakke gezondheid’. De bedevaart die Català hen laat afleggen komt zelfs in hun hoofd niet op. Maar toch knipogen beide beschrijvingen naar elkaar. Català en Narcís Oller kenden elkaar goed en becommentarieerden elkaars manuscripten. Bijna terloops leidden hun gemeenschappelijke pogingen om in het Catalaans een moderne literaire taal te scheppen af en toe tot het soort spiegelbeelden die literatuurwetenschappers nu ‘intertekstualiteit' noemen.

Català’s Eenzaamheid verscheen een klein jaar geleden in vertaling (Boeken, 21.10.2011), Ollers Pilar Prim onlangs. Enige bekendheid bezat Oller in Nederland al. Vijf jaar terug kwam zijn beursspeculatie-roman Goudkoorts hier uit. Daarmee had hij omstreeks 1890 de Catalaanse letteren flink opgeschud. Stelden die zich tot dan toe voornamelijk tevreden met een soort rederijkers-poëzie, nu drong de moderne wereld ruw het literaire landschap binnen.

Het Barcelona dat Oller beschrijft is in de ban van de speculatiewoede die elke nieuwe technologie met zich mee lijkt te brengen. Toen waren het de spoorwegen, kort geleden was het nog Facebook. Ongetwijfeld bevorderde de actualiteit van het thema de receptie van roman, zowel in Ollers tijd als bij het verschijnen van de tamelijk succesvolle Nederlandse vertaling.

Of dat van zijn laatste roman Pilar Prim ook gezegd kan worden is de vraag. Het probleem dat erin centraal staat was in Ollers tijd ongetwijfeld nog nijpend. Een jonge weduwe wordt het onmogelijk gemaakt te trouwen met haar nieuwe (en ware) geliefde, omdat zij daarmee de erfenis van haar overleden man zal verliezen.

Oller plaatst de enigszins onnozele Pilar tegenover de hardvochtigheid van het recht. Wordt tegenover het verlies van inkomsten en fortuin het concubinaat niet een grote verleiding? In zijn zedelijke verontwaardiging daarover blijkt dat Oller, ondanks alles, nog stevig geworteld was in de 19de eeuw. Ook zijn personages zijn dat, niet alleen in hun romantische zwijmelingen, maar ook in hun onvermogen zich een leven voor te stellen zonder ‘fortuin’ of dienstpersoneel.

Misschien was een gewoon arbeidsbestaan voor iemand als Pilar Prim werkelijk ondenkbaar. De roeping van een bourgeoise was de bestiering van het huishouden. Maar hoewel Oller haar met veel sympathie en inlevingsvermogen schetst, geheel onschuldig is zij in haar eerste échte liefdesroes niet. Heel terloops laat hij weten dat het haar ook in haar eerste huwelijk uiteindelijk slechts te doen was geweest om het financiële comfort. Hoeveel recht op zelfbeklag heeft zij dan nog wanneer zij uit naam van de romantische liefde de consequenties daarvan verfoeit?

Oller laat aan het einde van de roman de vraag open welke weg Pilar en haar minnaar zullen kiezen: de morele van het huwelijk in armoede, of de comfortabele in het dubieuze concubinaat. Daar schijnt hij na de verschijning van het boek flink op aangevallen te zijn. Maar juist hierin betoonde hij zich op de valreep in literair opzicht modern. In de 20ste eeuw zou men dol blijken te zijn op open eindes.

Nog belangrijker is dat Oller ook het thema van de roman van de sleetsheid redt. Niet dat wij ons nog erg druk maken over buitenechtelijke verhoudingen, maar de spanning tussen liefde en verbintenis, overgave en rechtsregel is nog niet overwonnen – waarschijnlijk omdat ze niet te overwinnen is. In dat opzicht werpt het open einde van deze roman, ingeklemd tussen de romantiek en burgerlijkheid waarvan wij nog altijd erfgenamen zijn, honderd jaar later nog altijd pijnlijke vragen op.