Geen Syriër kan de oorlog nog mijden

In de week dat Obama Assad maande niet naar chemische wapens te grijpen, groeit de ontreddering in Syrië. Lang niet alle vluchtenden hebben sympathie voor de rebellen.

Achttien maanden lang bleef de man die zich voorstelt als Abu Mohammed eigenwijs zijn apotheek runnen in Aleppo. De zaken gingen goed, ondanks de onrust in de rest van het land. Zelfs toen Aleppo twee maanden geleden de nieuwe frontlinie werd tussen het regeringsleger en de strijders van het Vrije Syrische leger. De apotheker hoorde de ontploffingen en de schoten in de buitenwijken. Hij las erover in de kranten. Maar zijn apotheek bleef open.

Wat anders moest hij doen dan pillendraaien? Als lid van een comfortabele middenklasse in de grootste stad van het land die geen kant wilde kiezen in deze burgeroorlog? „Een apotheker moet er zijn voor de buurt”, zegt hij, terneergeslagen. Zelfs toen de gevechten heviger werden, bleef hij open voor iedereen die aanklopte.

Hier staat hij nu met zijn grote winkeltassen, zijn drie kinderen en zijn vrouw aan de Turkse kant van de grens. Vandaag, in de negentiende maand sinds het begin van de dagen van woede, heeft hij zijn apotheek gesloten en heeft hij het vaderland eindelijk verlaten. Het ging niet meer.

Aan de overkant van de straat wacht het grootste vluchtelingenkamp in Turkije. Maar de apotheker wil er niet heen. De vluchtelingenkampen zijn commandocentra geworden van het Vrije Syrische Leger. Achter zijn rug komt een groep strijders in legerbroeken naar buiten gelopen. Sommigen strompelen met blank verband om hun benen, als bewijs van de strijd waar ze zich in hebben begeven.

De apotheker wil iets zeggen. Maar niet terwijl iedereen meeluistert. Hij maakt een koker van zijn handen en fluistert: „Onder Assad was het zo gek nog niet. Het ging goed in de afgelopen dertien jaar. Veel beter dan onder zijn vader Hafez. Onze lifestyle was goed.”

Dat woord gebruikt hij: lifestyle. Onder Assad kregen ze een Carrefour-supermarkt, een Kentucky Fried Chicken, een Burger King en GAP. „Onder vader Hafez beukten soldaten met geweren de deuren in als ze iets van je wilden weten. Onder Bashar werd dat het werk van politieagenten die netjes vroegen of je naar het bureau wilde komen.”

Dat was vóór de revolutie welteverstaan, voor de dagen waarin jongens met kalasjnikovs zijn wijk kapotschoten en de luchtmacht met gevechtsvliegtuigen woonwijken bombardeerde. Voor degenen die geen kant willen kiezen in deze oorlog, is er geen andere keus dan vertrekken. „We willen niet kiezen. We willen werken. Maar dat gaat niet meer.”

In Turkije wacht evenmin de vrijheid om te zeggen wat je denkt. Hier heerst de omgekeerde doctrine van thuis. Wie hier niet volmondig het gewapende verzet tegen Assad steunt, moet uitkijken. De apotheker stapt in de auto van zijn neef die zijn familie naar het safe house brengt. Hij kan niet zeggen waar. Zoals zijn naam ook niet echt Abu Mohammed is, maar de schuilnaam die hij aan deze kant van de grens gebruikt.

De Turkse minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoglu waarschuwde dat Turkije genoodzaakt zal zijn om een bufferzone in te stellen in het Noorden van Syrië, als er meer dan 100.000 vluchtelingen de grens over zijn. Het doemscenario is de Golfoorlog van 1991, toen meer dan een half miljoen Iraakse Koerden naar Turkije vluchtten. Ook toen werd een bufferzone ingesteld.

Syriërs als deze apotheker vinden dat dreigement van de Turken niet geloofwaardig. Het aantal Syrische vluchtelingen in Turkije is al vele malen hoger, alleen laten velen zich niet registreren bij de vluchtelingenkampen, waar de teller nu op 70.000 staat. Net als de apotheker duiken duizenden elders in het land onder. Of ze reizen door naar de Europese Unie.

Niet iedereen kan wegkomen. Het staatsziekenhuis van Kilis ligt vol gewonden. Abud Hamiz trekt de lakens van zijn linkerbeen. Een granaatscherf verbrijzelde zijn onderbeen toen een regeringsvliegtuig een bom van 450 kilo op zijn wijk in de noordelijke stad Azaz gooide. Het ontbrekende been jeukt nog. Fantoompijn.

„We waren in de auto gesprongen om weg te komen toen we de vliegtuigen over hoorden komen. Maar we waren te laat’’, zegt de boer, zijn ogen wijd open, de armen ontspannen achter zijn hoofd. Hij mist zijn olijfbomen, zijn perziken, zijn maïs. Hij wilde niet vechten, deze vader van zes kinderen. Niet voor het regeringsleger en niet voor de opstandelingen. Hij wilde boeren.