De gemeenschap is verwaarloosd

Socialisten en nationaal-socialisten worden nu op één hoop gegooid. Beiden wilden immers de arbeiders verheffen, maar dat lukte alleen de nationaal-socialisten, aldus J.A.A. van Doorn en Martin Bosma. Rob Hartmans zet in Vijandige broeders fijntjes de feiten op een rijtje.

In 2007 publiceerde J.A.A. van Doorn een geruchtmakende studie. In Duits Socialisme stelde de grand old man van de Nederlandse sociologie dat de nazi’s tussen 1933 en 1945 slaagden waar de socialisten faalden. De SPD verloor zich in de eerste helft van de 20ste eeuw in het uitdragen van revolutionaire, internationalistische idealen. De sociaal-democraten vergaten dat de arbeiders ook behoefte hadden aan een land om bij te horen, ze ‘wisten Duitsland niet te vinden’. De nazi’s wel. Zij – en niet de socialisten – realiseerden bovendien de verzorgingsstaat, met basale sociale voorzieningen voor iedereen en de kans te stijgen op de sociale ladder. Kortom, het socialisme en het nationaal-socialisme waren broers, en het nationaal-socialisme was de geslaagde broer. Aldus Van Doorn in zijn in deze krant onder de kop ‘scherpzinnige analyse van het machteloze Duitse socialisme’ gerecenseerde studie (Boeken, 06.07.07).

Van Doorns werk kwam Martin Bosma goed uit. De denker achter Geert Wilders wilde ook eens een boek. Maar interviews met ex-PVV’ers leerden recent dat wie zich in Wilders’ buurt aan de feiten houdt, zich voelt als een vis in een emmer punaises. Een boek, oké, maar dan moest het dus wel een kronkelig boek worden.

Dat lukte. Met Van Doorns studie in de hand, sloeg Bosma in 2010 een brug tussen Auschwitz en Mohammed Bouyeri en die brug heette Joop den Uyl. Zijn werk werd welwillend ontvangen – hoogleraar politicologie Meindert Fennema sprak over ‘de ideologie van een Gideonsbende’. Eindelijk kreeg de elite eens op zijn lazer.

In de piemelknijpende vreugde waarmee ‘taboedoorbrekende’ betogen op het schild worden gehesen, gaat vaak verloren dat slechte redeneringen geen taboe zijn. Onderbouwen dat de maan van kaas is, mag best. Maar wat helpt het? Hoera dus dat historicus Rob Hartmans in een goed gedocumenteerd en boos boek, Vijandige broeders. De Nederlandse sociaal-democratie en het nationaal socialisme, 1922-1940, het uitdrukkelijk opneemt tegen die gemakzucht.

Hij laat zien dat op het eerste gezicht het vroeg-20ste-eeuwse fascisme en het socialisme inderdaad verwant waren. Beide richtten zich immers op de underdogs en keerden zich tegen het kapitalisme. Maar het fascisme vierde het geweld: de latere massamoorden vloeiden logisch voort uit de agressie van de vroege fasci di combatimento of de Sturmabteilung. Om zich daarvan te onderscheiden, namen de socialisten in rap tempo afscheid van de laatste restjes revolutionaire retoriek. Democratie was het doel, socialisme zou het gevolg zijn. Dat dit de Hitlers machtsovername (en de Tweede Wereldoorlog) niet voorkwam, is een open deur: in Duitsland had de democratie behalve de socialisten geen verdedigers, naast de nationaal-socialisten wilden ook de communisten en katholieken van de Weimar-republiek af.

Friese onderwijzer

Dat is geen nieuws. Maar Hartmans gaat vooral in op de manier hoe de Nederlandse sociaal-democraten het fascisme verwerkten. De Friese onderwijzer en predikant Willem Banning (1888-1971) nam daarbij het voortouw. Banning is wat weggezakt in het collectieve geheugen. Hartmans legt zich daar terecht niet bij neer. Hij voert Banning op als een geëngageerd onderzoeker. Meer dan andere jonge SDAP’ers (zoals Vorrink, Verwey-Jonker, Wiardi Beckman, Van der Goes van Naters) ging hij in op de aantrekkingskracht van het fascisme en het nationaal-socialisme. En hij zag beter onder ogen hoezeer de maatschappij tijdens de crisis van de jaren dertig verschilde van de visioenen van Marx.

Allerlei groepen die het zwaar hadden door de hoge werkloosheid, de lage lonen en de hoge prijzen, zagen zichzelf nauwelijks als Marx’ strijdvaardige proletariërs; zoals geschoolde arbeiders die een flink eind op de ladder geklommen waren, arme winkeliers, hoofdarbeiders, boeren, de jeugd. Ze voelden zich niet aangesproken als ‘verworpenen der aarde’, maar zochten wel een sociaal verband om bij te horen. De steden groeiden snel, het platteland rafelde uiteen, de industriearbeid was vaak geestdodend en zwaar: mensen voelden zich ontheemd, niet onteigend.

Hartmans laat zien dat Banning (in het voetspoor van de Belg Hendrik de Man en de Fransman Jean Jaurès) snel begreep dat het fascisme meer was dan ‘een bende pummels’ in dienst van het grootkapitaal. Er school een mythe in het fascisme, een belofte van saamhorigheid en geborgenheid. Zo’n verhaal had het door-en-door rationele marxisme niet te bieden, met zijn wetenschappelijke voorspellingen over onvermijdelijke gebeurtenissen, die telkens niet klopten. Het socialisme onthield zijn achterban een thuisgevoel.

Dat was een ‘onbetaalde rekening’, die door Hartmans’ Banning werd ingelost. Meewerkend aan alle ideologische rapporten van de SDAP droeg vooral Banning het alternatieve verhaal aan; dat van het gezindheids- of cultuursocialisme. Dat verwacht niet dat de revolutie, de voortschrijdende techniek of de almachtige staat alle maatschappelijke problemen zal oplossen, maar hamert op het zedelijk karakter van het socialisme.

De mens als moreel wezen is vrij omdat hij het recht en de plicht heeft om zichzelf te verwezenlijken, om cultuur te bedrijven, om samen met anderen solidariteit te schragen, om het goede leven voor te leven. Niet historische noodzakelijkheid tekent de sociaal-democratie, maar verzet tegen de tirannie van de economie en morele verbondenheid, die door aanhoudende strijd tegen onderdrukkers (van Spanjaarden tot uitbuitende ondernemers) ook in de geschiedenis van een land verankerd is. Idealen om voor te vechten. Met deze koerswending creëert de SDAP een ‘nationaal socialisme’ (zonder koppelteken, benadrukt Hartmans) en breekt zo uit haar maatschappelijk isolement, om in 1939 tot de regering toe te treden. Voorwaar een eindje bij het fascisme vandaan. Van Doorn en Bosma kapotgecheckt.

Wat betekent dat voor vandaag? Volgens Hartmans is de sociaal-democratie Nieuw Links nooit echt te boven gekomen. De jaren-zestigjeugd vond Banning een kwezel en diens gemeenschapsdenken op zijn best conservatief gezeur.

Vrijheid betekende voor Nieuw Links vooral: zélf kiezen, en geen morele verplichtingen. En inderdaad dook er sinds Den Uyl geen leider van de PvdA meer op die de vraag naar de zin van het leven spontaan stelde. Geef Kok of Cohen maar een overleg en Bos of Samsom liever

een sommetje. Zo veranderde de sociaal-democratie van een levensvisie in een levendige bestuurspraktijk, die moeite heeft het ‘ik-alles-nu’ te keren omdat er geen ander trucje meer in de koffer zit.

Hartmans wil het gemeenschapsdenken terug in de sociaal-democratie; niet alleen door het geven van het goede voorbeeld door politici, maar ook door het streven naar ‘volksverheffing’ kan het electoraat meer dan de laatste jaren weer een thuis geboden worden.

Is dat de scherpste les is die uit het werk van Banning getrokken kan worden? De ‘onbetaalde rekening’ van 2012 is een andere dan die van 1930. De huidige tevredenheid van de inwoners van Nederland over hun kleine gemeenschappen staat in schril contrast met het chagrijn over de grote of democratische gemeenschap. En de sociaal-democratie is succesvol uitgesmeerd over heel Nederland.

Bataljons

Zowel GroenLinks als de SP hebben zich de laatste jaren zo geconformeerd aan het bestuurlijk-reformistisch jargon van Wibaut, Den Uyl en Asscher, dat ze opereren als autonome bataljons in het sociaal-democratisch leger. Ziekelijk autonoom, en dat geldt natuurlijk ook voor de PvdA, want noch het verwijt van ‘milieuterrorisme’ noch het verwijt van ‘europopulisme’ blijft plakken op wat ooit de kleine concurrenten van de grote PvdA waren. Mark Rutte ziet het grijnzend aan, liever drie muggen dan één horzel.

Banning stond ook aan de wieg van de ‘doorbraak’, de bundeling van de vooroorlogse progressieve partijen in de Partij van de Arbeid in 1946. Zo’n doorbraak op herhaling zou het sleetse politieke debat op dit moment dienen. De blokkade daarvan komt echter niet door door substantiële meningsverschillen, maar door zelfgenoegzaamheid. De zelfgenoegzaamheid van het ‘gewoon doen’ van de SP’ers die in hun rijtjeshuizen rookworst na rookworst peuzelen tot ze zo gewoon zijn dat geen Nederlander meer op ze lijkt, of van de SP’ers die in hun verlangen naar eerlijk delen iedere miljonair verdacht maken. Of de zelfgenoegzaamheid van PvdA’ers met grote salarissen die menen dat zij en niemand anders de boedel van Troelstra mogen claimen.

De onbetaalde rekening van 2012 door links is niet die van het nationalisme, maar die van de ijdelheid. De verwaarloosde gemeenschap is dit keer de moeder aller gemeenschappen, de democratie, en matigheid en openheid zouden het herstel moeten tekenen.