De Bovenbazen (81)

‘Als u niet betalen kan,’ zei hij zuur, ‘moet u maar lopen. Geen benzine op de pof. Orders van boven, meneer.’

Heer Bommel zuchtte diep en liep gebogen heen.

‘Wat een toestand,’ prevelde hij. ‘Hier gaat een heer met meer geld, dan iemand ooit gezien heeft. Maar brandstof voor zijn auto kan hij niet betalen. Als mijn goede vader dit had meegemaakt, zou hij niet geloofd hebben dat zoiets mogelijk is. Ach, dat komt er nu van wanneer geld een rol gaat spelen.’

Met deze droevige gedachten betrad hij Grootgruts levensmiddelenbedrijf om een brood te kopen.

‘Schrijf het maar even op,’ sprak hij moedeloos. ‘Mijn kleingeld is eh… uit mijn zakken gevlogen… en nu zit het vast. Op de bank… u weet hoe dat gaat…’

‘Nee,’ zei de middenstander betrekkend. ‘Dat is nu jammer, meneer Bommel; u bent een van mijn beste klanten. Maar er zijn maatregelen afgekondigd tegen overbesteding en ik mag geen krediet geven. Het gaat niet, hoe het me ook spijt.’

‘Ook geen waterbrood?’ vroeg heer Ollie hees.

‘Zelfs geen halfje bruin,’ zei de heer Grootgrut bekommerd. ‘Mijn middenstandsvergunning staat op het spel!’

De energiemagnaat verliet met gebogen hoofd de zindelijke winkel. Het schreien stond hem na en hij meende dat er nu niets ergers meer kon gebeuren. Maar helaas, hij vergiste zich. Nauwelijks had hij de stad verlaten of zijn aandacht werd getrokken door het geronk van naderende motoren. Het waren de grondhappers en de mammoetgrijpers van de Soliumwinning, op weg naar een loonrondedemonstratie.