Column

Cruijff versus de machtige overheid

Humor en zelfspot in politiek Den Haag. Moeilijk te vinden, want de meeste partijen nemen zichzelf ongelooflijk serieus. Hun werk: belangrijk, gewichtig en glimlachloos. Jammer, want hoeveel lucht zou wat zelfrelativering niet brengen? Een verademing is dan ook het optreden van de Libertarische Partij. Lijst 14 bij de komende verkiezingen.

In hun campagnefilmpje loopt een man in oranje voetbalshirt met rugnummer 14 door Den Haag. Een voice-over doet Johan Cruijff na, die vrijelijk van letters naar cijfers overspringt: „We hebben hier een stel partijen wie al jaren de baantjes verdelen. Kijk je naar de beloftes, dan zeg ik A: prachtig. Maar kijk je dus naar de resultaten, dan zie je dus eigenlijk B: dat die altijd tegenvallen. Da’s twee.”

De voice-over kan ook de naam van de partij niet helemaal goed uitspreken. De Cruijff-imitatie maakt er ‘libitarisch’ van. Terechte zelfspot. Want de aanduiding ‘libertarisch’ is vrijwel volledig nieuw in ons politieke landschap. Niettemin is het een fascinerende – hoewel in mijn ogen uiteindelijk onbevredigende – politieke filosofie.

Libertarisme is de stroming die een minimale staat voorstaat – en daarmee eigenlijk een radicale versie van het liberalisme. Toch is libertarisme niet per se ‘rechts’. Want hoewel het gelooft in een ongebreideld, volkomen marktkapitalisme, gaat het uit van de mens als vreedzaam en goedaardig wezen. Daarbij pleiten libertariërs voor open grenzen, vrije migratie, volledige godsdienstvrijheid en legalisering van drugs.

De stroming gaat terug op een aantal radicale verlichtingsdenkers in de negentiende eeuw. Zij redeneerden vanuit de filosofie van het sociaal contract, een gemeenplaats van de verlichtingsfilosofie waar naast het liberalisme ook het socialisme – in tegenstelling tot conservatisme – van uitgaat.

De theorie van het sociaal contract stelt dat slechts dié politieke orde aanvaardbaar is, die overeen zou worden gekomen in een oorspronkelijk ‘contract’ tussen vrije, individuele actoren. Bijvoorbeeld: belastingheffing is alleen legitiem wanneer burgers inspraak hebben in wat er met dat geld gebeurt. En: de staat krijgt alleen het geweldsmonopolie als er een aantal grondrechten zijn gegarandeerd, zoals bijvoorbeeld eigendomsbescherming en lichamelijke integriteit.

Maar als de staat de uitdrukking is van een soort ‘contract’, waarom zou je dat contract dan niet kunnen opzeggen? Dat is de terechte vraag die Lysander Spooner, één van de grondleggers van het libertarisme, opwerpt in zijn werk No Treason. The Constitution of no Authority (1867). Na de bloedige Amerikaanse burgeroorlog (1861-1865) zegde hij zijn ‘contract’ met de Amerikaanse overheid op. Eerder al had hij vergeefs de centrale staatsmacht bestreden door het staatsmonopolie op de posterijen aan te vechten met een eigen systeem van postzegels.

Je hoeft niet zover te gaan als Spooner om gegrepen te raken door de vraag die hij opwerpt: welk nut, welke legitimiteit, heeft die machtige, alsmaar uitdijende overheid nu eigenlijk? Voor zover sprake is van een contract, is dit dan nog wel acceptabel? In hun boek De democratie voorbij (Aspect Amsterdam 2011), betogen twee van de oprichters van de Libertarische Partij, Frank Karsten en Karel Beckman, dat „vrijheid datgene is waar we niet over stemmen”. Want, zo is de redenering, zodra er wordt gestemd wordt er altijd, onvermijdelijk een minderheid overstemd. Doordat steeds meer zaken op enigerlei wijze via het parlement gaan – doordat de ‘democratie’ steeds verder oprukt – zou de individuele vrijheid steeds verder worden ingeperkt.

Tegenover de collectieve zelfbeschikking van de democratie stellen libertariërs de individuele zelfbeschikking. Dat omvat voor hen ook het volledige recht op de vruchten uit eigen arbeid. Dus pleiten de hemelbestormers van de Libertarische Partij voor afschaffing van de inkomstenbelasting. Zoals de Cruijff-voice-over in het campagnefilmpje stelt: „we willen allemaal dat mensen werken, dan ga je ze natuurlijk niet straffen als ze dat doen. Je geeft ook geen gele kaart als iemand een doelpunt maakt.”

De enige grond voor inperking van individuele zelfbeschikking: wanneer anderen schade wordt gedaan. Maar precies dit ‘schadebeginsel’ leidt tot dilemma’s. Want doet het mij schade wanneer ik geconfronteerd word met drugsverslaafden en massale immigratie? Doet het een kind schade als de ouders geen onderwijs kunnen betalen? Of als er geen enkel sociaal vangnet is?

En hoe valt de volledige godsdienstvrijheid die de partij voorstaat te combineren met de schade die de bouw van een grote moskee doet aan mijn uitzicht? Hoe valt de religieuze besnijdenis te combineren met het door libertariërs gekoesterde individuele zelfbeschikkingsrecht?

Uiteraard is geen enkele politieke filosofie vrij van dit soort paradoxen. De werkelijkheid laat zich niet in een enkel principe vatten. Maar juist daarom moet de politiek zoveel mogelijk perspectieven samenbrengen. Nieuwe ideologieën relativeren de bestaande vanzelfsprekendheden. Ik zal niet op ze stemmen, maar alleen al vanwege de luchtige, ironische presentatie die de ‘Libitarische’ partij kiest, valt te hopen dat hun geluid ook ná 12 september hoorbaar blijft. Een beetje Johan Cruijff zou de Tweede Kamer goed doen.