Bezuinigen: 2 tot 28 miljard is voldoende

Maandag oordeelt het Centraal Planbureau of de bezuinigingen solide zijn die de politieke partijen in hun verkiezingsprogramma’s hebben voorgesteld. Maar moet er wel zoveel bezuinigd worden? Economen zijn verdeeld.

We moeten ingrijpend bezuinigen, want anders lopen de overheidsfinanciën uit het spoor en betalen generaties na ons de rekening. Dat is de mantra die al sinds het uitbreken van de kredietcrisis vanaf 2007 de politieke discussie domineert. Allemaal mooie plannen, geachte afgevaardigde, maar wie gaat dat betalen? En de grootste dooddoener: we moeten „ons huishoudboekje” op orde brengen, collega.

Daarom werkten alle politieke partijen – van links tot rechts – de hele zomer achter de schermen door aan een lange reeks van saneringsplannen teneinde de tekorten op de begroting rap terug te dringen. Zelfs de SP wil het tekort eind 2015 onder de 3 procent hebben.

Maandag maakt het Centraal Planbureau bekend wat de ‘doorgerekende’ financiële gevolgen van de verkiezingsprogramma’s zullen zijn.

Maar zijn politici niet bezig met de analyse van de vorige oorlog? De laatste tijd zijn de inzichten van economen sterk aan het wijzigen. Los van de vraag of bezuinigen economisch verstandig is in moeilijke tijden waarin de binnenlandse consumptie onze belangrijkste reddingsboei moet zijn, lopen de taxaties van noodzakelijke besparingen steeds verder uiteen.

Zo kwam de Studiegroep Begrotingsruimte, een club vooraanstaande ambtenaren en traditioneel havik in begrotingsdiscussies, in juni op het astronomische bedrag van 20 miljard euro uit. Het volgende kabinet moet dat bedrag op jaarbasis ombuigen in het kader van behoedzaam en verstandig regeringsbeleid.

Het betekent dat een nieuw kabinet na de 18 miljard van het kabinet-Rutte en de 12 miljard van het ‘Lenteakkoord’ het jaarlijkse verschil tussen inkomsten en uitgaven nog eens met 20 miljard moet verkleinen. Dat komt in totaal overeen met een kleine 20 procent van de rijksbegroting. Anders gezegd, binnen een tijdsbestek van zeven jaar zou Nederland op iedere vijf euro overheidsuitgaven één euro hebben geschrapt of een vergelijkbaar bedrag aan lasten hebben verhoogd.

„Het zou niet goed zijn als de urgentie over het hervormen zou verminderen door die discussie over miljarden meer of minder bezuinigen. Je kan wel roepen dat we 20 miljard moeten bezuinigen maar het dient geen doel. De omvang van het tekort is minder interessant. Het gaat om de versterking van de economische structuur”, zegt Sylvester Eijffinger, hoogleraar financiële economie in Tilburg.

In dat saneringsadvies van 20 miljard euro liet CPB-directeur én lid van de Studiegroep Coen Teulings een saillante voetnoot opnemen met een omfloerst voorbehoud. Strekking: van die 20 miljard die we adviseren te bezuinigen is een kwart – 5 miljard euro! – eigenlijk niet nodig.

Het CPB kwam daarna zelf met een ministudie waarin het structurele gat in de begroting – het zogenoemde houdbaarheidstekort – op 7 miljard euro wordt geschat. Ofwel, er bestaat op jaarbasis slechts een tekort van 7 miljard dat de begroting uit evenwicht brengt. Als dat gat wordt gedicht, is de begroting bestand tegen de oprukkende lasten door vergrijzing.

Voormalig minister van Financiën Wouter Bos (PvdA) spreekt daarom van een „fantoombedrag” bij de 20 miljard die de preciezen van de Studiegroep hebben berekend. In de Volkskrant wees hij erop dat het CPB eigenlijk op slechts 2 miljard uitkomt die nodig is om de overheidsfinanciën in het gareel te krijgen. Als er op termijn maar 5 miljard euro wordt hervormd, bijvoorbeeld op de woningmarkt.

Op het ministerie van Financiën waren ze in elk geval not amused over de ministudie van het CPB. Wat blijkt, het CPB heeft bij zijn berekeningen een andere definitie gebruikt dan de Europese definitie waarop het onlangs aankondigde over te stappen. Gevolg: het tekort valt 6 à 7 miljard lager gunstiger uit.

„Dat is niet erg consequent”, zeg Flip de Kam, emeritus hoogleraar openbare financiën. Hij vindt de oorspronkelijke definitie die het CPB hanteert bij zijn berekeningen weliswaar beter, maar het bureau was juist om redenen van vergelijkbaarheid overgestapt op een minder fijnbesnaarde Brusselse methodiek. „Anders was het houdbaarheidstekort niet op 7, maar op circa 14 miljard uitgekomen”, zegt De Kam. „Dat komt heel wat dichter in de buurt bij de aanbevelingen van de Studiegroep Begrotingsruimte.”

Volgens het CPB is de oude definitie gebruikt vanwege tijdgebrek. „We zijn ingehaald door de actualiteit”, zegt Johannes Hers van het CPB. Er was nog niet op gerekend dat door de val van het kabinet zo snel nieuwe prognoses van tekorten moesten worden gemaakt.

Hoogleraar Eijffinger wijt misverstanden over de ‘bezuinigingsopdracht’ ook aan onbegrip tussen economen en politici. „De premier en de minister van Financiën zijn geen macro-economen; zij denken vaak in normatieve termen over het tekort. Maar het is een economisch probleem.”

Maar de analyse van dat probleem kan blijkbaar miljarden schelen. Voldoen aan de Brusselse norm betekent volgens het CPB dat 28 miljard euro aan bezuinigingen noodzakelijk zijn. Nog meer! Die afspraken vloeien voort uit het Verdrag van Maastricht van twintig jaar geleden. Daarin werd afgesproken dat het begrotingstekort niet meer dan 3 procent van het bruto binnenlands product mag bedragen om te voorkomen dat tekorten en schulden uit de hand zouden lopen.

Maar inmiddels bevinden Europese economieën zich in een uitzonderlijke situatie van recessie en eurocrisis, waarbij de gevolgen van bezuinigende overheden meer gevreesd worden dan de tekorten zelf.

Bij de jongste waarschuwing van kredietbeoordelaar Moody’s voor de Nederlandse kredietwaardigheid speelt de omvang van het begrotingstekort hoegenaamd geen rol. Volgens Moody’s is Nederland minder kredietwaardig door de eurocrisis, door hoge schulden per huishouden, door dalende huizenprijzen en door sombere groeivooruitzichten.

Het contrast is groot met de politici van wie de kiezers telkens te horen krijgen dat er bezuinigd moet worden voor een betere toekomst.