Waar blijft Verdi?

Wagner en Verdi werden allebei geboren in 1813. Van Wagner worden komend seizoen veel composities gespeeld, van Verdi haast niets. Waar komt die hardnekkige Nederlandse voorkeur voor Wagner vandaan?

‘Er wordt eindeloos gekletst dat ik niet voor zangers zou kunnen schrijven”, klaagde Giuseppe Verdi in 1872 in een brief aan een vriend. „Maar bovenal word ik voor imitator van Wagner uitgemaakt!!! Een mooie uitkomst, na 35 jaar componeren voor imitator te worden uitgemaakt!!!”

Het lijkt een vreemde klacht. Verdi was toen reeds de gevierde Italiaanse componist van populaire opera’s als Rigoletto en La Traviata, en had bij het schrijven van deze brief de eerste successen van zijn nieuwste opera Aida mogen proeven. Toch voelde Verdi zich in het nauw gedreven. Aida was een vernieuwende opera binnen Verdi’s eigen oeuvre. Maar die muziektheatrale vernieuwingen werden niet langer alleen aan de maker zelf toegeschreven. Inmiddels had Wagner, met wie Verdi het geboortejaar 1813 deelde, zich door meesterlijke opera’s en zelfpromotie steeds meer naar het midden van het Europese operatoneel gedrongen.

Verdi’s vrees dat Wagner hem zou verdringen, lijkt achteraf volkomen ongegrond. Als er een toptwee van negentiende-eeuwse operacomponisten moest worden samengesteld, dan zouden Verdi en Wagner daar beide zonder twijfel thuishoren. Toch is het voor de Verdi-liefhebber, die tweehonderd jaar na de geboorte van de twee componisten de muziekbrochures voor komend seizoen doorneemt, even slikken. Het Wagnerjaar 2013 is in het Nederlandse muziekleven onontkoombaar. Maar het Verdi-jaar zou wel eens bijna geruisloos voorbij kunnen gaan.

Legendarische status

Begrijpelijkerwijs herneemt De Nederlandse Opera de komende jaren Wagners Der Ring des Nibelungen. De monumentaal abstracte enscenering van Pierre Audi en decorbouwer George Tsypin heeft sinds 1997 een bijna legendarische status bereikt. Een reprise in Wagnerjaar 2013 is dus zeker gerechtvaardigd. De eerste delen Rheingold en Die Walküre klinken komend seizoen aan het Waterlooplein, een jaar later gevolgd door de tweede helft en daarna zelfs de volledige cyclus in één rit. Daarnaast wordt ook nog Die Meistersinger geprogrammeerd, in een nieuwe enscenering van regisseur David Alden.

Maar Verdi? Die wordt bij Nederlands belangrijkste operahuis dit seizoen slechts eenmaal gehoord met La Traviata. Dit is niet eens een nieuwe productie, maar de herneming van een regie van Willy Decker.

Ook de Nationale Reisopera had de zinnen gezet op een complete Ring-cyclus in Enschede in het Wagnerjaar, maar moet in plaats daarvan reorganiseren wegens flinke subsidiekorting. Götterdämmerung, Wagners spectaculaire sluitstuk van de Ring, is dit najaar een zeldzaam gepast afscheid van de Reisopera in huidige vorm.

Het is dapper dat de Reisopera vervolgens aan het eind van 2013 een Tristan und Isolde heeft gepland. Met een geslaagd Wagnerproject zou de verkleinde productiekern zich weer goed in de spotlights kunnen plaatsen. Maar Verdi schittert ondertussen in afwezigheid.

Het Verdi-leed beperkt zich niet tot de operahuizen. Het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO), dat zijn 125-jarig jubileum viert, komt in mei met een veelbelovende concertante uitvoering van Der fliegende Holländer. Daarmee weet de jonge Bayreuthdirigent Andriss Nelsons ongetwijfeld te imponeren. Operaster Eva-Maria Westbroek is bij De Nederlandse Opera de komende jaren helaas niet te horen, maar zingt wel een Wagnerprogramma bij het KCO.

Dat dit orkest uitblinkt in Wagnerspel bleek vorig jaar uit een in intensiteit groeiende reeks Parsifal-uitvoeringen. Maar Verdi, dat kunnen ze ook, getuige de reeks opera’s die Riccardo Chailly tijdens zijn chefdirigentschap heeft gedirigeerd. Toch klinkt er bij het orkest geen noot Verdi in seizoen 2012-2013.

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest programmeert wel een Verdi. Tijdens het Gergjev Festival in september is onder leiding van Valery Gergjev zelf Otello te zien, misschien wel Verdi’s grootste meesterwerk.

Bovennatuurlijke krachten

De hardnekkige voorkeur voor Wagner in het sleuteljaar 2013 is wellicht een kwestie van prestige. Wagners opera’s staan bol van metafysische thema’s en bovennatuurlijke krachten, hetgeen zich vertaalt naar monumentale lengtes en een prominente rol voor het orkest als verklanking van een hogere ideeënwereld. Daarbij vergeleken zijn de opera’s van Verdi emotioneel meer direct en down to earth. Verdi zelf onderkende dit verschil: „Wij Italianen zijn positivisten, en in grote mate ook sceptici. We zijn niet geneigd veel te geloven, en zijn niet in staat ons voor langere tijd in de fantastische bedenksels van de Duitse kunst te verplaatsen, aangezien het daar aan natuurlijkheid en eenvoud ontbreekt.”

Kennelijk heeft Nederland een voorkeur voor de gelaagdheid en gewichtigheid van Wagner. Maar de eenvoud van Verdi – die trouwens wel degelijk uitstekend voor zangers kon schrijven! – is bedrieglijk. Ook bij de Italiaan wordt vaak een complexe boodschap in de partituur gelegd.

Neem Aida. Het werk heeft door de beroemde triomfmars en vele koren de reputatie pompeus te zijn, een openluchtevenement. Maar de laatste minuten zijn juist van een grote ingetogenheid. Hier worden de twee gedoemde geliefden ingemetseld in een tombe, terwijl een derde haar jaloezie betreurt en een zacht koor van priesters weerklinkt. Het slot is tegelijkertijd een weergave van onvoorwaardelijke liefde, berouw én een plechtig gebed van de religieuze instantie die nota bene zelf deze doodstraf uitsprak: een complex stemmenweefsel van schijnbaar eenvoudige schoonheid. Vooral spreekt uit deze muziek een oprechte ontroering die zich makkelijk kan meten met Wagners liefdesduetten.

Er is nog hoop voor de Verdi-liefhebber, want na het komende concertseizoen is 2013 nog niet voorbij. De Nederlandse gezelschappen hebben nog van september tot en met december om iets van het Verdi-jaar te maken. En in 2014 heeft de Reisopera alvast het goede voornemen, Aida als grootschalig meezingproject te brengen in voetbalstadion de Grolsch Veste. Zo’n initiatief is met een Wagneropera toch moeilijker denkbaar.