Toneelgroep A’dam: feestje

Toneelgroep Amsterdam bestaat 25 jaar, de eerste helft onder leiding van Gerardjan Rijnders, de tweede onder Ivo van Hove. Van gezellig chaotisch werd de groep een gestroomlijnde international. En bleef spraakmakend.

25

jaar en alle reden voor feest. „Toneelgroep Amsterdam staat aan de top van het Nederlandse theater”, constateert de Raad voor Cultuur in zijn jongste advies. „Elke productie van TA is een belevenis” en „het gezelschap kan zich meten met de beste gezelschappen ter wereld”. De in 1987 opgerichte Toneelgroep Amsterdam is het erkend summum van de Nederlandse theaterwereld: 120.000 bezoekers per jaar, 21 topacteurs in vaste dienst, een eigen artistiek stempel en internationale uitstraling. Om Toneelgroep Amsterdam hangt de zoete geur van succes. Al lang: ten tijde van de oprichting – TA was een fusie van Publiekstheater en Centrum – gold het gezelschap meteen als eerste van het land. Rotterdam en Den Haag kunnen doen wat ze willen, het officiële cultuurbeleid nog zo op decentralisatie gericht zijn – ten slotte kijkt iedereen toch naar Amsterdam.

Toch is de geschiedenis van Toneelgroep Amsterdam geen rechtlijnige weg naar het succes, maar een kronkelpad langs veranderende opvattingen over theater. Historisch gezien zijn er twee Toneelgroepen Amsterdam, met elk een eigen karakter: die van de eerste artistiek leider Gerardjan Rijnders (1987-2000), en die van zijn opvolger Ivo van Hove (2001-heden). „Het voelt niet alsof ik al die jaren bij dezelfde baas heb gewerkt”, zegt acteur Hans Kesting, die sinds 1987 met tussenpozen bij Toneelgroep Amsterdam werkt. Hans Kemna, vanaf 1987 betrokken als casting-director, ziet het onderscheid in „de totaal verschillende persoonlijkheden” Rijnders en Van Hove. „Als ik nu naar Toneelgroep Amsterdam kijk, zie ik een gestroomlijnde ‘international’ ”, zegt Rijnders over het TA van zijn opvolger. „Van Hoves ambitie wijkt erg af van wat ik wilde. Wij waren chaotischer en afwisselender.”

Professioneler

In dertien jaar Rijnders ontwikkelde TA zich tot een veelzijdig, soms recalcitrant gezelschap. Het bespeelde de Stadsschouwburg met zeer uiteenlopende voorstellingen – van experiment tot geheid repertoire – maar was ook veel in kleine theaters te vinden. Het wemelde schrijfopdrachten en acteursinitiatieven. Omdat Rijnders een hekel had aan het traditionele ‘lijsttheater’ van de Stadsschouwburg betrok TA een ‘zwarte doos’ in een oud fabrieksgebouw van de Amsterdamse Westergasfabriek. In festivalatmosfeer liet men regelmatig alles – klein en groot, rijp en groen. „TA was in die jaren een plek van vernieuwing, en ook een beetje chaos”, zegt Kemna. „Het was er erg gezellig.” Kesting heeft aan die tijd prima herinneringen: „Aan de andere kant liet Rijnders je meer aan je lot over. Als acteur wil je ook dat iemand je vertelt of het deugt wat je laat zien.”

Na dertien jaar stapte Rijnders op. Omdat zo lang directeur zijn je „een beetje cynisch” maakt, zegt hij. Opvolger Ivo van Hove bleek een heel andere figuur. Rijnders had de zakelijke beslommeringen van zijn middelgroot bedrijf aan een zakelijk directeur overgelaten. Van Hove nam zowel de artistieke als de zakelijk leiding vast ter hand. „Iemand moet eindverantwoordelijk zijn”, vindt hij. Toneelgroep Amsterdam werd een meer gestroomlijnde organisatie.

De cultuuromslag kende zijn strubbelingen. In 2003 baande onvrede zich een weg in een acteursopstand. „Het was een pijnlijke tijd”, herinnert Hans Kesting zich. Hij was een van de drie acteurs die demonstratief opstapten maar was na drie weken terug, daartoe uitgenodigd door Van Hove. Nu is hij een van de grote sterren en heeft een druk seizoen voor de boeg: hij speelt in elk van de vier grote Shakespeare-producties die in dit jubileumjaar feestelijk worden hernomen. „Achteraf kun je zeggen dat we onder Ivo een professionaliseringsslag hebben gemaakt”, zegt Kesting. Op zakelijk gebied is er veel veranderd. De ‘zwarte doos’ staat niet meer op het verre Westergasterrein, maar is de multifunctionele Rabozaal die bovenop de bestaande Stadsschouwburg is gebouwd – het plan daarvoor is van vóór 2000 maar werd pas in 2009 gerealiseerd. Toneelgroep Amsterdam reist minder door Nederland – dat is efficiënter. Waar vroeger succesvolle voorstellingen zelden werden hernomen, keren deze nu jarenlang terug in het speelplan – ook om eventuele flops financieel op te vangen. De bezoekersaantallen per seizoen – 120.000 in 2011/2012 – liggen beduidend boven die in de periode Rijnders, ongeveer 75.000 per jaar.

Continuïteit

Grote waarde hecht Van Hove – begiftigd met een werklust die zijn omgeving verbaast – aan de internationale positie van Toneelgroep Amsterdam. Die hangt, zegt hij, ook , samen met zijn eigen internationale aanwezigheid – in de vorm van gastregies in het buitenland. „Een netwerk moet je onderhouden”, vindt hij. „Anders dan vroeger is ons referentiekader naast Amsterdam ook Europ en de rest van de wereld”. Toneelgroep Amsterdam heeft nu een vaste medewerker voor ‘internationalisatie’ en doet in het komende seizoen tien landen aan.

Rijnders heeft moeite om in de huidige Toneelgroep Amsterdam nog de zijne te herkennen. Van Hove ziet, aan het begin van zijn twaalfde seizoen, wel continuïteit over 25 jaar. Nog altijd staat TA voor innovatief theater – hij vergelijkt zijn enscenering van filmscenario’s met de montagevoorstellingen waarmee Rijnders vroeger opzien baarde. Ook geeft TA nog steeds schrijfopdrachten, en de basis van het repertoire wordt nog altijd gevormd door eigentijdse interpretatie van klassiekers. Zeker hebben de talrijke kleine voorstellingen van weleer plaatsgemaakt voor bijna uitsluitend grotezaalproducties. Die keuze wordt deels opgedrongen door een subsidiesystematiek waarin kleine en grote groepen langs verschillende wegen geld ontvangen, zegt Van Hove. „Ik betreur dat, maar binnen dat kader kun je je ook scherp profileren.” Desondanks wil Toneelgroep Amsterdam in 2013 verder gaan met TA-2, podium voor jonge regisseurs. „Perceptie gaat in golven”, weet Van Hove. Maar in de superieure renommee van Toneelgroep Amsterdam in zijn jubileumjaar kan hij zich goed vinden: „Wij leggen de lat hoog.”