Stoppen met kernenergie kost miljarden

Japan wil nu binnen enkele weken beslissen of het zonder kernenergie kan. Andere energiebronnen zijn er wel, maar nog veel te weinig. En Japan heeft veel te verliezen.

Het is een cruciale maand voor Japan. Houdt het land vast aan de traditie en blijven kerncentrales een kwart van alle stroom leveren, zoals ze anderhalf jaar geleden nog deden? Of besluit het land na de kernramp van vorig jaar alle 54 kernreactoren in het land te ontmantelen en te vervangen door alternatieven? In de komende weken kiest Japan zijn energie- en klimaatstrategie voor de volgende decennia.

Van de bevolking is nu tweederde tegen kernenergie. Maar de nucleaire lobby is sterk, en krijgt steun van de industrie. Daarbij vreest de politiek een te grote afhankelijkheid van het buitenland als alle kernreactoren in hoog tempo ontmanteld worden, omdat dan de import van olie en met name aardgas sterk moet toenemen. Zoals afgelopen jaar al is gebeurd. Maakt dit het land niet te kwetsbaar?

Inmiddels zijn er sinds de kernramp talloze studies uitgevoerd naar duurzame alternatieven. Al in april vorig jaar, nog geen maand na de tsunami, bracht het ministerie van Milieu een studie uit waarin windenergie als veruit het belangrijkste alternatief naar voren kwam. Met name voor de noordelijke, windrijke regio’s Hokkaido – waar veel auto- en farmaceutische industrie zit – en Tohuku. Zonne-energie geldt als goeie tweede. Waterkracht en aardwarmte komen in deze studie als minder kansrijk uit de bus.

De benodigde miljardeninvesteringen in wind- en zonne-energie zouden gepaard moeten gaan met een rigoureuze energiebesparing, omdat anders de stroomprijzen te zeer stijgen en bedrijven en huishoudens op kosten worden gejaagd.

De mogelijkheid om zuinigere huizen, wasmachines, airco’s en koffiezetapparaten te bouwen biedt meteen kansen voor de Japanse industrie en werkgelegenheid.

Maar de politiek is voorzichtig. Na de kernramp zijn weliswaar alle reactoren van het net gehaald, voor controle en onderhoud. Maar twee maanden geleden gebood premier Yoshihiko Noda alweer de herstart van twee van de vier reactoren bij de kerncentrale van Oi, aan de westkust. Zijn argument was een dreigend stroomtekort in de naderende warme zomer, als airco’s op volle toeren draaien. Maar zijn oproep werd ook uitgelegd als een steunbetuiging aan de nucleaire industrie, die na de kernramp synoniem is geworden met corruptie en vriendjespolitiek.

Niet vreemd. Tot vorig jaar was kernenergie een industriële én politieke pijler voor Japan. Wereldwijd zijn er vier grote bouwers van kerncentrales en twee ervan zijn Japans – Toshiba en Mitsubishi. Nieuwe kerncentrales lagen op de tekentafel. Kernenergie zou alleen maar belangrijker worden. Het aandeel op de totale stroomvoorziening zou groeien van 25 naar 40 procent. Hoewel buurlanden als Zuid-Korea de nucleaire ontwikkelingen in Japan met argusogen volgden, werd een fabriek voor de verrijking van uranium toch uitgebreid. De ene na de ander kerncentrale schakelde voor zijn brandstof over van verrijkt uranium op het goedkopere, maar ook geopolitiek gevoelige mox, een mengsel van uranium en plutonium.

Toen kwam de kernramp.

Tegenstanders van kernenergie wijzen sindsdien graag naar Duitsland. Dat kwam vlak na de ramp terug op een besluit om de kerncentrales in Duitsland langer open te houden. Bondskanselier Angela Merkel kondigde aan de centrales toch allemaal vóór 2021 te sluiten, en voor de toekomstige elektriciteitsvoorziening nog zwaarder in te zetten op duurzame energie.

Maar Japan is geen Duitsland. In Duitsland staat het aandeel duurzame elektriciteit inmiddels op 20 procent. In Japan is dat pas circa 1 procent. Hoe snel kan Japan de omslag maken? Is het wel slim om alle kerncentrales meteen te ontmantelen?

Voorstanders van duurzame energie zien het in ieder geval als een gunstig teken dat Japan per 1 juli hetzelfde subsidiesysteem voor groene stroom heeft ingevoerd als Duitsland. En er gaan geluiden op meer concurrentie toe te laten op de elektriciteitsmarkt.

Tegenstanders van kernenergie kregen in juli een steun in de rug, door een rapport van de invloedrijke National Policy Unit, die direct aan de premier rapporteert. De organisatie rekende drie scenario’s door voor het jaar 2030: een totale afbouw van kernenergie, een vermindering van het aandeel kernenergie naar 15 procent, of een voorzichtiger afbouw tot 20-25 procent. Qua kosten ontlopen de opties elkaar niet veel.

De keuze voor de ene of de andere strategie zal voornamelijk bepaald worden door politieke wil.