Openluchtmuseum

Ik vind veel musea al snel vervelen, uitzondering op de regel is het Openluchtmuseum te Arnhem. Ik kom uit die buurt. Mijn ouders sleepten ons er regelmatig heen en tel daar maar gerust een stuk of tien verplichte schoolreisjes bij op.

Laatst was ik er weer.

Voor de mensen die er nog nooit zijn geweest: het Openluchtmuseum staat vol huizen uit andere tijden, laatste aanwinst: een paar panden uit de Amsterdamse Jordaan. Ik begon in een Staphorster Boerderij uit achttienhonderdzoveel. Daar zat een mevrouw – een vrijwilligster – in klederdracht net te doen alsof het vroeger was. We hadden een kort gesprek. Ze had de was gedaan, een heel gedoe met een tobbe, en nu zat ze iets te haken. Ze leerde ons de betekenis van spreekwoorden als ‘Een blauwtje lopen’ en ‘Hij krijgt het laatste koekje uit de trommel’.

In een oud tolhuisje uit Bedum zaten er vier onder tropische omstandigheden in een veel te klein hok achter een weefgetouw. Het zweet stond ze op het hoofd bij het vervaardigen van theedoeken. Helemaal super vond ik dat, dat ze de moeite hadden genomen om de verschrikkelijke arbeidsomstandigheden van toen na te bootsen. De werknemers werkten geconcentreerd en lieten zich door niets of niemand afleiden. De simpele vraag „Hoe lang doe je over een theedoek?” werd pas na een minuut of vijf, toen ik het echt niet meer verwachtte, beantwoord.

„Heel lang.”

Goed, we gingen maar weer eens. Ik wenste de werknemers nog een prettige dag in hun primitieve omstandigheden. Pas bij het verlaten van het pand zag ik het bordje boven de ingang. Hier werkten mensen met een beperking, of we – de bezoekers – daar alsjeblieft rekening mee wilden houden.

Het eerste wat door me heen schoot, was de vraag of ik soms nog meer van dat soort waarschuwingen over het hoofd had gezien.

Die vrouw in dat snoepwinkeltje op de Zaanse Schans die de hele tijd over kaneelstokken begon, die schele rietvlechter, die papiermaker in de watermolen en vooral die conductrice in de ouderwetse museumtram, die spoorden toch ook niet?

Of lag dat aan mij?

Daar sta ik de laatste tijd heel erg voor open, dat ik de dingen anders ervaar dan anderen. Waarom ben ik blij dat een vrouw van begin zestig die zich twee keer per week verkleedt als een conductrice uit 1930 en die bij iedere boom keihard op haar fluit blaast, mijn moeder niet is?

Ik belandde op een weiland waar SP-leider Emile Roemer omringd door fotografen wijdbeens in het gras aan een ijsje zat te likken. Even daarvoor zong hij op een groot podium met zanger Bob Fosko een lied waarin tien keer de zin ‘Doe mee, met de SP!’ voorkwam. De beelden van de kandidaat-Kamerleden die achter hem zonder enig gevoel voor ritme stonden te swingen, maakten de dag compleet.