Nederland te klein voor cyberleger

Het Nederlandse cyberleger heeft te weinig geld om de beste hackers te rekruteren. Slimmer is om beloningen voor aangetoonde lekken uit te reiken, stelt Ludo Baauw.

De Nederlandse overheid is geen droeftoeter op cybergebied. Er is immers een cyberkolonel* benoemd en 50 miljoen euro uitgetrokken om een cyberleger op poten te zetten. Het probleem is, om goede cybersoldaten te rekruteren moet er een beloning te behalen zijn in de vorm van roem of geld. Die twee zaken zijn buiten defensie om beter te krijgen.

Het kan efficiënter. Wie niet sterk is, een kleiner budget heeft, of moet bezuinigen, moet slim zijn. Met het beschikbare geld kan een groter resultaat worden behaald, dan wanneer middelmatige cybersoldaten ingezet worden om de virtuele grenzen van Nederland te bewaken. En getalenteerd personeel inkopen bij IT-beveiligingsbedrijven als bijvoorbeeld Fox-IT, dat kost defensie simpelweg teveel geld.

Een oplossing kan uit de hackersgemeenschap zelf komen. Hackers verrichten misschien illegale handelingen, maar sommigen hacken uit ideële overwegingen. Na een hack melden de idealisten een zwakke plek bij de betreffende instantie. Vaak valt het in de categorie van de buurman die de buurvrouw waarschuwt dat de sleutel nog in de voordeur zit. Een behulpzame hacker kan nu worden aangeklaagd. Dat is verkeerd. Hij moet worden beloond.

Defensie doet al een goede poging in NAVO-verband. En ook het Korps landelijke politiediensten (KLPD) en het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) verrichten al flink wat werk als het aankomt op cyberbeveiliging. Waarom worden de handen niet ineengeslagen? Het kan slim zijn om met defensiegeld het NCSC een subsidiepot te geven waarmee hackers eenmalig vorstelijk beloond worden voor de tips die ze aandragen over lekken en andere zwakke plekken. Het NCSC kan met zijn expertise prima beoordelen hoeveel geld elke aanwijzing waard is.

Je hebt misschien het schaamrood op je kaken staan als iemand een lek aanwijst in jouw dienst – het is ons ook weleens overkomen – maar daarna kan je het wel oplossen.