Maillols bronzen in Kunsthal: vals of niet Maillol: vals of echt?

Volgens twee kunsthistorici zijn sommige bronzen van Maillol die de Kunsthal binnenkort gaat exposeren niet origineel. Zijn erven zouden die met valse waarmerken hebben gegoten. „Onzin”, zegt erfgenaam Olivier Lorquin, „wij beschermen Maillol.”

Het is een aandoenlijk beeld dat ook na meer dan honderd jaar nog tot de verbeelding spreekt. Een jonge vrouw zit met opgetrokken knieën op de grond, haar voeten netjes naast elkaar, en laat haar hoofd op haar armen rusten. Bekijk je haar van opzij, dan vormen haar rug en benen een bijna perfecte driehoek. Haar gezicht krijgen we niet te zien, alleen haar oren en haarknotje komen boven haar schouders uit. Ze oogt moe, is misschien wel moedeloos. Ze heeft zich afgesloten voor de buitenwereld. Ze is een tijdloos symbool van introspectie, van kalmte, van verdriet.

La Nuit (De Nacht), zoals de sculptuur heet, werd in 1902 door de Franse kunstenaar Aristide Maillol (1861-1944) ontworpen. Toen hij in 1909 een grote gipsen versie van het werk tentoonstelde op de Salon d’Automne in Parijs, merkte zijn collega Auguste Rodin bewonderend op dat „men vaak vergeet dat het menselijk lichaam een gebouw is – een levende architectuur”. Ook Maillol zelf was tevreden over het beeld. Hij maakte er tijdens zijn leven diverse bronzen afgietsels van, die zich inmiddels in vooraanstaande musea bevinden.

Op de grote Maillol-expositie die vanaf 15 september in de Rotterdamse Kunsthal te zien is, worden drie versies van La Nuit getoond. De grootste staat normaal gesproken in het stadshart van Stuttgart en werd speciaal voor dit retrospectief uitgegraven en op transport naar Rotterdam gezet. De andere twee zijn kleinere studies van nog geen twintig centimeter hoog, afkomstig uit het door de erven Maillol gerunde Musée Maillol in Parijs met wie de Kunsthal deze expositie organiseert. Wat direct opvalt, zijn de verschillen tussen deze figuurtjes. Het ene meisje zit op een lage sokkel en heeft haar voeten stijf tegen elkaar gedrukt. Het andere meisje, uitgevoerd in een donkerder tint brons, zit met haar blote billen op de grond en heeft haar voeten iets uit elkaar gezet.

Volgens de catalogus zijn de drie beelden in respectievelijk 1905, 1902 en 1908 gemaakt, en zijn ze gegoten door drie verschillende bronsgieters. De grote sculptuur is de zesde uit een editie van zes. Ook van het kleine figuurtje uit 1902 zijn er zes gemaakt, dit is nummer vijf. Maar bij de derde variant ontbreekt de nummering. Waardoor de vraag zich opdringt: hoeveel versies van La Nuit bestaan er eigenlijk? En aan hoeveel daarvan heeft Maillol zelf nog zijn goedkeuring verleend?

Zeldzame gieting

Op 3 mei 2012 ging precies zo’n klein figuurtje van Maillol onder de hamer bij het New Yorkse veilinghuis Sotheby’s. Petite Nuit, zoals het 18 centimeter grote beeldje in de veilingcatalogus heette, werd geschat op een waarde van 80.000 tot 120.000 dollar en ging uiteindelijk voor maar liefst 362.500 dollar (291.000 euro) van de hand. Die hoge prijs is vooral te danken aan de namen die in de voetzolen van het beeld gedrukt staan: Jean-Augustin Bingen en Florimond Costenoble. Deze twee Franse bronsgieters hebben slechts tien jaar samengewerkt, van 1903 tot 1913. Beelden van Maillol die door Bingen en Costenoble gegoten zijn, zijn dus zeldzaam en oud. „Gegoten voor 1914-1918 in een genummerde editie van zes”, zo omschreef Sotheby’s het in de veilingcatalogus.

Diverse Maillol-kenners plaatsen nu vraagtekens bij die mooie herkomst. Zij twijfelen aan de echtheid van Petite Nuit en andere sculpturen van Maillol met ditzelfde merkteken. In een recent artikel in de Frankfurter Allgemeine Zeitung stelt kunsthistorica Ursel Berger dat er wel tweehonderd sculpturen van Maillol met valse merken in omloop kunnen zijn. Petite Nuit is volgens haar niet vóór de Eerste Wereldoorlog maar pas ver ná de dood van de kunstenaar gegoten. De belangrijkste aanwijzing voor deze fraude, aldus Berger, is een schrijffout in het stempel. In plaats van ‘A. Bingen et F. Costenoble. Fondeurs Paris’ staat er op het beeld van Sotheby’s ‘A. Bingen et Costenoble. Fondeur Paris’ – de F. ontbreekt en fondeur is in enkelvoud, zonder s. Bovendien zijn de letters veel groter en grover dan van de originele markering.

Volgens Ursel Berger, directeur van het Georg-Kolbe-Museum in Berlijn en auteur van een monografie over Maillol, duiken er de laatste jaren opvallend veel beelden van Maillol op met wat zij noemt een dubieuze herkomst. „En allemaal zijn ze voorzien van dat merkteken zonder die meervouds-s.” En, ook opvallend, zegt Berger, is de groene patina die deze nieuwe Maillol-beelden vaak bezitten. „Spinaziepatina, noemen Franse kunsthandelaren dat. Daardoor lijken de beelden ouder. Maar op originele werken van Maillol uit die tijd komen we die kleur nooit tegen.”

Ook de Nederlandse kunsthistoricus Arie Hartog, die in 1996 aan de door Ursel Berger georganiseerde grote Maillol-tentoonstelling meewerkte, is ervan overtuigd dat er op grote schaal problematische bronzen Maillols in omloop worden gebracht. Als directeur van het Gerhard-Marcks-Haus in Bremen en keurmeester van de Tefaf spreekt hij veel experts op het gebied van beeldhouwkunst. „En bij Maillol is er een interessant probleem ontstaan. Hij heeft een oeuvre gemaakt tijdens zijn leven, maar er is ook veel postuum werk dat door de erven van Maillol wordt gegoten. Dat is conform de regels, zij hebben het copyright en mogen dat doen – zo lang maar duidelijk is dat het om latere afgietsels gaat. Nu duikt er echter werk op dat hoogstwaarschijnlijk via de erfgenamen is gegoten, maar dat andere stempels draagt. Alsof het om werk gaat dat tijdens Maillols leven gemaakt is. Zo wordt het oeuvre van de kunstenaar vervuild.”

De Petite Nuit die bij Sotheby’s geveild is, zegt Hartog met grote stelligheid, is dus vals. Berger beaamt dit. Ze zegt dat ze al diverse malen over de wat zij noemt valse Bingen-et-Costenoble-handtekening heeft gepubliceerd en dat het veilinghuis daarvan op de hoogte moet zijn. „Het aanbieden van een werk van Maillol met dit merkteken als een vooroorlogs beeld noem ik fraude.”

„Allemaal onzin, schadelijke geruchten”, noemt de directeur van het Musée Maillol Olivier Lorquin de aantijgingen van de twee kunsthistorici. „Ze weten niet waarover ze het hebben, ze kennen hun zaakjes niet. Wij vervalsen niets, en wij verbergen niets. Alle grote beroemde bronsbeelden van Maillol, zoals L’Air, zijn allemaal pas na Maillols dood in 1944 gegoten, door zijn zoon Lucien Maillol, en na diens dood door mijn moeder, Maillols model Dina Vierny. Dat is gebeurd in de mallen die Maillol gemaakt heeft. Als de oplage van zes exemplaren voor de verkoop bereikt is, dan vernietigen wij de mallen. De L’Air die in Rotterdam te zien is, is de laatste uit die editie, en is door ons gegoten voor Sean Connery.”

Lorquin ontkracht de aantijging van de vervalsing van de merktekens van de bronsgieters Bingen en Costenoble: „In het gezaghebbende lexicon van Franse bronsgieterijen van 1890-1950, geschreven door Elisabeth Lebon en gepubliceerd in 2003, staat duidelijk dat Bingen en Costenoble verschillende signaturen gebruikten, met en zonder meervouds-s achter fondeur. Ook die op Petite Nuit staat beschreven. Mevrouw Berger weet niet waarover ze praat.”

Berger op haar beurt laat weten dat Elisabeth Lebon een erratum aan haar boek heeft toegevoegd, waarin ze stelt dat de fondeur-signatuur zonder ‘s’ toch niet authentiek is.

Sotheby’s New York verwijst bij navraag over de mogelijke vervalsing van Petite Nuit naar Lorquin: hij is degene die de authenticiteit ervan bevestigd heeft.

Herkomstdiscussie

Arie Hartog zou graag zien dat de discussie over de echtheid van de Maillols aangezwengeld wordt. „Het wordt tijd dat er eens goed gekeken wordt naar wat origineel is en wat niet en waarom.” In dat licht, zegt Hartog, is het ook interessant om naar de Maillol-tentoonstelling in de Kunsthal te kijken. „Bij de aankondiging van die tentoonstelling zag ik al werk voorbijkomen dat tot die recente afgietsels behoort. Veel daarvan is afkomstig van Musée Maillol. Maar mag je dit nog werk van Maillol noemen? Ik zeg niet dat die tentoonstelling er niet mag komen – er is naast de bronzen beelden nog veel moois te zien. Maar het is wel goed om aan die herkomstdiscussie aandacht te besteden.”

Berger en Hartog hebben de tentoonstellingscatalogus bekeken en zijn zeker dat in de Kunsthal veel postume afgietsels te zien zullen zijn. In de catalogus worden die beelden steevast aangeduid met de data waarin Maillol ze ontworpen zou hebben, niet met de jaartallen waarin ze gegoten zijn. Maar er zijn ook andere dingen aan de hand die nog veel sterker tot vertroebeling van Maillols oeuvre leiden, vindt Hartog. Hij wijst op het beeld Torse de La Méditerranée, een vrouwentorso zonder ledematen dat volgens de catalogus in 1905 is ontstaan. „Het is natuurlijk een groot verschil of je zegt ‘dit is een Maillol die door de meester zelf is gemaakt’ of dat je zegt ‘ik ben de erfgenaam en ik vond op zolder een gipsen beeld zonder hoofd en armen en dat heb ik maar eens laten gieten’.” In de Kunsthal zijn van dat laatste volgens hem ook voorbeelden te zien. Zoals Torse de Vénus, een versie van Maillols beroemde Venusbeeld uit 1928 waarvan hoofd, armen en onderbenen zijn geamputeerd. Of zoals Pomone Drapée, een aangeklede versie van de Pomone die Maillol in 1910 ontwierp. Hartog: „Alsof je zegt: ‘ik als erfgenaam vind dat Maillol zijn meisje had moeten aankleden’. Dan te beweren dat het originele werken zijn, vervalst het oeuvre van een van de belangrijkste beeldhouwers van de twintigste eeuw.”

Lorquin: „Die man kent de kunsthistorie niet. Maillol heeft veel torso’s gemaakt, hij ontwikkelde beelden uit torso’s, ook Vénus. Wij hebben niets geamputeerd, dit is een torso van Maillol. En dan de aangeklede Pomone: dat is gewoon een studie voor een aangeklede Pomone, een beeldje dat hij in opdracht voor Elne, een dorpje bij Banyuls maakte.”

Charlotte van Lingen, curator van de Kunsthal en initiator van de tentoonstelling, zegt ervan uit te gaan dat alle werken origineel zijn. „Wij werken met gastcurator Alex Susanna, een Maillol-kenner die ik zeer hoog acht, en met Olivier Lorquin. Zij hebben samen de selectie gemaakt, en ik vertrouw erop dat dit goed werk is.” Ze benadrukt dat de versies van La Nuit die zij laat zien niet door Bingen en Costenoble maar door Alexis Rudier en Emile Godard gegoten zijn. „Ik heb geen moeite met postume edities, zolang Maillol er zelf maar iets over te zeggen heeft gehad. Maar als er vervolgens nog een X-aantal exemplaren wordt doorgegoten, dan klopt dat natuurlijk van geen kanten. Ik ga ervan uit dat Musée Maillol de juiste werken geleverd heeft. Mochten er toch doorgietingen zijn die niet oké zijn, dan zullen we het daarover moeten hebben.”

Veel vragen

Eén ding is zeker, zegt Ursel Berger: iedereen die serieus onderzoek doet naar Maillol loopt tegen een heleboel vragen aan. „Enerzijds weet je dat Maillol zelf maar een klein aantal beelden heeft gemaakt, tentoongesteld en verkocht. Anderzijds zie je dat er sinds zijn dood in 1944 en met name sinds de jaren tachtig vele honderden van zijn beelden op de kunstmarkt verschenen zijn.”

Wat deze zaak zo opmerkelijk maakt, is dat de omstreden afgietsels niet gemaakt zijn door criminelen, maar door de wettelijke erfgenamen van de kunstenaar. Berger: „Je zou ze dus legale vervalsingen kunnen noemen.”

Lorquin: „Een belachelijke aantijging, die elke grond mist. Mijn moeder en wij hebben ons juist ingezet om Maillols artistieke erfenis zuiver te houden.”

Lorquins moeder was Dina Vierny. Zij was tot voor kort de spil van de familie – zij was degene die bepaalde of een beeld een authentieke Maillol was of niet. Na haar dood in 2009 waren het haar zoons Olivier en Bertrand Lorquin die de dienst uitmaakten; Olivier als directeur van Musée Maillol, Bertrand als auteur van de Maillol-monografie uit 1995 die door de kunsthandel vaak wordt aangehaald als bronvermelding.

Vierny (geboren in 1919) was Maillols model en muze in de laatste tien jaar van zijn leven. Later werd ze beheerder van diens nalatenschap en profileerde ze zich als dé Maillol-autoriteit. Tussen 1977 en 2000 was ze eigenaar van de bronsgieterij Emile Godard in Parijs. In die periode produceerde Vierny vele edities van Maillols bronzen beelden, met het merkteken E. Godard. Beelden die, zo vindt Berger, hetzelfde groenige uiterlijk hebben als de volgens haar dubieuze afgietsels van Bingen en Costenoble. Ook zijn er talloze bronzen opgedoken met de signatuur ‘Alexis Rudier fondeur Paris’ die volgens Berger van Vierny afkomstig zijn.

Lorquin: „Mijn moeder heeft, eerst samen met de zoon van Maillol, veel afgietsels gemaakt van Maillols beelden, in beperkte oplage, zoals Maillol wilde, in verschillende gieterijen. Bijvoorbeeld heeft ze gewerkt met Alexis Rudier, wiens gieterij door zijn zoon Georges is overgenomen. Maar daar is ze weggegaan, omdat ze hem niet vertrouwde.”

Berger heeft twijfels over de „aanhoudende stroom nieuwe Maillol-afgietsels van Alexis Rudier”. En ze heeft 25 verschillende sculpturen gevonden met de volgens haar dubieuze signatuur van Bingen en Costenoble. Ze denkt dat er zo’n 200 dubieuze werken met dit valse merkteken op de kunstmarkt zouden kunnen circuleren. Sommige van die omstreden werken bevinden zich in musea. Het Musée Maillol heeft een Pomone met ‘fondeur-signatuur’ en in Musée d’Orsay staat een Eva die in 1992 door Dina Vierny geschonken is. Op de vraag waar al die nieuwe werken vandaan kwamen, verklaarde Vierny ooit in een brief aan Berger dat ze ze in 1978 of 1979 had gevonden in Maillols geboortestreek in de Zuid-Franse Pyreneeën. Maar tweehonderd bronzen sculpturen die opeens opduiken in een woonhuis, dat lijkt Berger onwaarschijnlijk. „En het is wel erg toevallig dat Vierny precies in die periode eigenaar was geworden van een bronsgieterij.”

Lorquin: „Mijn moeder heeft in Zuid-Frankrijk ooit een aantal beelden kunnen kopen. En ze is zelf de postume edities gaan gieten in een bronsgieterij van E. Godard, die ze overgenomen heeft, om vervalsingen te voorkomen. Om zo getrouw mogelijk in de geest van Maillol te werken. Luister, wij willen de erfenis van Maillol juist zuiver houden en beschermen. Wij willen juist voorkomen dat de wereld vol raakt met valse Maillols.”

Maar kan de echtheid van de Maillols niet eenvoudig worden aangetoond door technisch onderzoek? „We weten dat Dina Vierny er altijd zorgvuldig op heeft gelet dat in haar gieterij niet met moderne apparatuur als slijptollen gewerkt werd”, zegt Hartog. „Een bijkomstig probleem is dat men voor 1945 alleen nieuwe beelden goot als men geld had, dus als er een koper gevonden was. De legering van het brons hing dan af van de actuele tinprijs, en die fluctueerde enorm. Legeringen zijn dus geen goede indicator. Sterker: hoe homogener de legering, hoe waarschijnlijker het is dat ze relatief nieuw zijn en in één keer samen zijn gegoten.”

Sinds 1996 heeft Hartog zelf een „vrij precieze databank” opgebouwd met beelden van Maillol en van latere gietsels. Op basis daarvan durft hij te concluderen: „Op de tentoonstelling in de Kunsthal staan slechts twee bronzen beelden uit de collectie van Musée Maillol die misschien ouder zijn dan 1944.”

Lorquin: „Veel bronzen van Maillol zijn in mallen zoals hij ze gemaakt had gegoten na 1944. In de geest van Maillol. Wij hebben er niets aan toegevoegd of aan veranderd. Wat ons betreft zijn dat zuivere Maillols. Postuum gegoten, ja. Maar is het oeuvre van Maillol besmet, zoals Berger zegt, nee.”

Dat is inderdaad wat Ursel Berger zegt: „Dina Vierny heeft Maillols oeuvre willen veranderen, vergroten en completeren. Daardoor heeft ze het oeuvre voor altijd besmet.”