Hoerenmusicals zijn altijd oh la la 'Ik wil prostitutie niet romantiseren'

Irma was de oerhoer. Ze was de eerste hoer die ooit de hoofdrol in een musical speelde. Haar wereld was de zelfkant, maar die leek in Irma la douce lang niet zo verdorven als men zou denken. Met die lichte meiden en zware jongens viel het eigenlijk best mee. In hun milieu heerste genegenheid, ja zelfs gezelligheid, en het was er zo pittoresk als op een Montmartre-schilderijtje. Natuurlijk had Irma, net als al haar collega’s, een pooier, maar de hare was een goeierik die in het geheim zo verliefd op haar was, dat hij zich vermomde als een schatrijke klant aan wie ze genoeg verdiende om volop in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Andere klanten had ze niet meer nodig. En hij hoefde niet langer jaloers te zijn.

Irma la douce (1956) was een creatie van schrijver Alexandre Belfort, die als voormalig taxichauffeur het Parijse straatleven terdege kende, en componiste Marguerite Monnot wier melodieuze musettewalsjes en vlotte foxtrotjes veel aan de bekoring bijdroegen. Het Franse publiek kwam er massaal op af. En in de jaren zestig ook het Nederlandse, dat in de oh la la-reputatie van Parijs een extra attractie zag. Maar de paradox is dat deze musical vooral wereldberoemd werd door de uit 1963 daterende verfilming van Billy Wilder, die de liedjes wegliet omdat hij zich in het musicalgenre te weinig thuis voelde. Zijn grote troef was de onweerstaanbare oogopslag van hoofdrolspeelster Shirley MacLaine. Toen ze vervolgens een Golden Globe als beste actrice kreeg, vertelde ze in haar dankwoord dat ze ter voorbereiding twee dagen in het gezelschap van een groepje Parijse tippelaarsters had verkeerd – en dat die research zo plezierig was geweest, dat ze bijna had besloten een ander beroep te kiezen. Het galapubliek lachte, maar in de tv-uitzending werd dit ondeugende grapje weggemonteerd. Zo veel pikanterie ging toen nog te ver.

Met de meeste hoeren uit de musicalgeschiedenis gaat het mis. Neem bijvoorbeeld Nancy uit Oliver!, de naar romantiek smachtende straatmadelief in het smerige Londen van de negentiende eeuw. In haar hymne, As long as he needs me, bezingt ze haar hunkering naar een man die zich in feite misdraagt, maar haar toch echt nodig heeft. En ook de ballade I dreamed a dream, in het musicalepos Les Misérables gezongen door de aan lager wal geraakte Fantine, gaat over verlangen – naar de terugkeer van een man die haar in de steek heeft gelaten. En de frêle Kim, in Miss Saigon, is al tijdens haar eerste nacht in de Vietnamese prostitutie bezwangerd door de Amerikaanse soldaat die de man van haar leven blijkt te zijn. Waarna haar grote solo over hun kind gaat: I’d give my life for you. Alle drie zijn ze gedoemd; hun zonde wordt bestraft.

Een uitzondering is de musical Sweet Charity, waarin de energieke Charity ten slotte zonder veel kleerscheuren uit het vak weet te treden en op eigen benen kan staan. Maar zij was toch geen hoer? Nee, ze danste tegen betaling met bezoekers in een nachtclub – zie het grote shownummer Hey, big spender. In werkelijkheid ging het hier echter om een gekuiste versie van de Fellini-film De nachten van Cabiria, waarop de musical was gebaseerd. Daarin verdiende Cabiria, alias Charity, de kost als hoer.

Een nieuwe tijd brak aan in de musical Madam (1981) van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink. Verlekkerd door de conflicten die daaruit konden voortvloeien, plaatste de schrijfster een seksclub naast een blijf-van-mijn-lijfhuis. Maar haar intrige ging vooral over de hypocrisie van de hoerenlopers in wier gelederen men ook CDA-leiders en andere hooggeplaatsten zag: „Katholiek of protestant/ makelaar of fabrikant/ boeren van het platteland/ burgers van de middenstand/ heel ons dierbaar vaderland/ iedereen is klant/ iedereen belandt/ in het huis van Madam.”

De dubbele moraal rolde er als vanzelfsprekend uit: de heren houden in het openbaar de schijn van fatsoen op, terwijl de hoeren als uitschot worden behandeld. Verder kwam het feministische kamp al meteen op achterstand te staan door het optreden van de grote vedette Conny Stuart als Madam: in haar sekshuis waren alle meisjes geestig en mooi, terwijl in het vrouwenhuis de humorloosheid regeerde. Bij de theateringangen deelde het Warm Lesbies Front destijds pamfletten tegen de voorstelling uit. Met als voornaamste effect dat er des te meer kaartjes werden verkocht.

Zo speelt er bij het publiek altijd nog iets van nieuwsgierigheid mee, als het over hoeren gaat. Dat moet ook met geheimzinnigheid te maken hebben. Ga maar na: in geen enkele musical is het beroep van hoer ooit zichtbaar uitgeoefend.

Het meest recente voorbeeld van Nederlands fabricaat is Wat zien ik?! uit 2006, gebaseerd op de (door Paul Verhoeven verfilmde) bestseller van Albert Mol. De hoeren waren jofele Jordanese lellebellen die Greet en Nel en Truus heetten en zichzelf beschouwden als sociaal werksters. Nieuwe inzichten braken er niet in door, want dit was nostalgie naar de jaren zestig. En lachen geblazen, met al die kluchtige klanten. Zo was er sinds Irma la douce dus nog maar weinig veranderd.