Geen enkele hobby?

Ze wilde weten of ik hobby’s had en ik had verkeerd geantwoord. Autorijden was namelijk geen echte hobby, vond ze. Een sport, opperde ze alsof ik niet begreep wat mensen zoal onder hobby’s verstaan. Ik zat toch op karate, wist ze zich plotseling te herinneren. Het was waar. Ik zat op karate. En nu moest ik deze veel te jonge, helaas niet al te slimme moeder van in mijn ogen veel te veel kinderen uit gaan leggen dat uitgerekend karate geen hobby was. Ze begreep niet wat ik bedoelde, maar vond het toch jammer dat ik geen hobby’s had. Ik vond het vooral jammer dat een van ons twee niet thuis was gebleven, maar besloot dat het beter was om dat voor me te houden.

Zelf deed ze veel aan bungeejumpen. Ze keek erbij alsof het bijna net zo gevaarlijk was als ongewapend met een palestijnensjaal om op een Mossad-begrafenis te verschijnen. Toen ik haar vertelde dat bungeejumpen net zo min een sport was als telefoneren of op het strand liggen dat was, vond ze dat ik het dan zelf maar eens moest proberen. Ze raakte geïrriteerd. En dat was mooi. En ook best al snel. Wat ook mooi was. Ik wilde namelijk graag dat ze weer wegging. Vier jaar hadden we elkaar niet gezien. Zelfs haar naam was ik vergeten, maar binnen drie minuten wist ik weer waarom ik haar nooit gemogen had.

Of ik dan werkelijk helemaal niets deed. Ik wist dat ik nu dus eigenlijk voor de tweede keer uit moest leggen hoe leuk ik karate of autorijden vond. Maar het mislukte. Hoe het kwam wist ik niet, maar ik vertelde haar dat ik ’s ochtends naar m’n werk reed, ’s middags terug, en ’s avonds een biertje dronk met vrienden in de kroeg. En toen gebeurde het. Het kreng had eindelijk gevonden waarvoor ze gekomen was. Namelijk een leven dat nog saaier en onbeduidender was dan dat van haarzelf. Ze hoefde het alleen nog maar even zeker te weten. Helemaal niets? Ze leefde op. Geen spanning? Geen uitdagingen? Geen enkel doel in je leven? Ik schudde. Keek erbij alsof het me speet. ’s Ochtends heen en ’s middags terug. Dat was het zo’n beetje wel. Ze vond dat ik een saai leven had. Ikzelf verbaasde me vooral over haar oneindige domheid. M’n moeder, die ook op de barbecue was, kon het niet meer aanhoren. Dat was mooi. Want zij had niet, zoals ik dat wel had gemoeten, hoeven beloven geen ruzie te zullen maken. Echt ruzie heeft ze helaas niet gemaakt, maar het kreng was wel snel vertrokken.

Paulien Cornelisse is met vakantie