Een gouden voetafdruk, dat was mooi geweest

Ik loop op goud. Op grijze sloffen. Schoenen zouden het goud bekrassen, blote voeten maken vlekken. Jammer, ik had graag een gouden voetafdruk achtergelaten. De gouden vloer hoort bij een installatie van Jan Fabre in Antwerpen, in het Park Spoor Noord. De installatie is verkocht, vertelt de man achter de kassa. Aan een Antwerpse verzamelaar voor 900.000 euro, „dat is alleen voor de beelden, daar komt dat bladgoud nog bij”.

Pietas heet het werk: vier keer een stel enorme menselijke hersens van carrara-marmer, waar insecten en torren in rond kruipen. Vier keer ‘pieta’, vier keer medelijden met het menselijk tobben. Het vijfde beeld is een ‘echte’ Pietà, naar Michelangelo’s treurende Moedermaagd met haar vermoorde Zoon die bijna van haar knieën glijdt. Haar gezicht is hier een doodskop. Moeders doen het ook nooit goed. Ze schenken het leven, en daar is de dood per definitie bij inbegrepen. De Zoon is een marmeren Fabre, in kostuum met losgetrokken stropdas: het lijk leeft en heeft het benauwd.

Er arriveert een schoolklas. Bij gebrek aan voldoende sloffen moeten de scholieren op hun beurt wachten. Hun gegiechel laait op in de holle ruimte. Schuifelen ze tussen de beelden dan vallen ze stil. Ze herinneren me aan dat schoolconcert in het Amsterdamse Concertgebouw. Lang geleden. Het orkest zette in, het rumoer in de zaal ging door. De dirigent tikte af en dat hele grote orkest zweeg op slag. Wij ook. Het orkest begon opnieuw. Wij luisterden, nu klaar voor de kracht van de muziek.

’s Avonds hoor ik op de radio in Met het oog op morgen een woordenwisseling over het literatuuronderwijs. Twee neerlandica’s. De ene maakt zich zorgen. Jonge mensen hebben geen geduld meer voor De avonden of Max Havelaar. De ander, een lerares Nederlands, ziet geen aanleiding voor paniek of cultuurpessimisme. Zij heeft zo haar methodes. Trouwens, bij haar in de klas wordt Dimitri Verhulst enthousiast gelezen.

De presentator van Het oog is zo volslagen niet geïnteresseerd in het onderwerp, dat hij het gesprek laat ontsporen. Voor zover ik het kan volgen hebben de neerlandica’s allebei gelijk. Ze gunnen de scholieren het genot van goede boeken. Ze gunnen de literatuur nieuwe lezers. De ene spreekster houdt het op een verplichte canon. De andere zweert bij verleiding. En omgekeerd, maar dan net anders. Eén ding vinden ze allebei: het is aanpoten, want de tijd van lezende leerlingen is voorbij.

Meiden! Die tijd is een mythe! Ik was erbij, ook in die goeie ouwe tijd waren literaire romans iets voor een select clubje leerlingen, door hun leraren gekoesterd als zachte kuikentjes. Ja, er werd gelezen: de boeken van jonge, heftige mannen, in stevige taal. Wat nu Dimitri Verhulst is, was toen Jan Wolkers. Daarvoor was het W.F. Hermans. Zelf lezen kwam later. Als het kwam.

Terwijl het gesprek definitief in de pan wordt gehakt, verbaast het me dat niemand twijfelt aan de literatuur als de belangrijkste kunst. Ik snap dat de taal een machtig instrument is. Wie wil leren moet goed kunnen lezen en het lezen van literatuur is een methode om die routine te veroveren.

Scholieren van nu schrijven en lezen meer dan ooit, maar anders. Ze zijn bijvoorbeeld gewiekst in formuleringen in 140 tekens. En ze leven tegelijk met film en foto’s, met beeldende kunst, met mode en websites. Met beelden. Het onderwijs doet hun beeldcultuur af als oppervlakkig. Stilzwijgend houdt het vol dat leerlingen pas goed bezig zijn als ze literaire boeken lezen.

Ik ben voor literatuuronderwijs, ik vind dat iedereen De donkere kamer van Damokles gelezen moet hebben en liefst ook Karel ende Elegast. Maar in het moderne lespakket horen inmiddels net zo standaard de beeldende kunsten en de cinema thuis. Voor mijn part ten koste van.

Over beeldcultuur gesproken, ik zag de nieuwe Batman-film, The Dark Knight Rises. Ook de geschiedenisleraar kan aan de slag. De film varieert op de Franse Revolutie en culmineert in een bestorming van de lokale Bastille. Er is revolutionaire schijnrechtspraak à la Robespierre, uitgelicht als een schilderij van diens vriend, Jacques-Louis David.

O ja. Op die vervlogen ochtend in het Concertgebouw werd Tsjaikovski gespeeld. Capriccio Italien. Ik vergat het nooit.