Cage in een magische, tijdloze operafabriek

Muziektheater

Europeras 1&2 van John Cage, regie Heiner Goebbels, i.h.k.v. Ruhrtriënnale. Gezien: 17/8 Jahrhunderthalle Bochum. Herh. t/m 2/9. Festival t/m 30/9. Inl: Ruhrtriennale.de *****

Een willekeurige scène van Europera 1 van John Cage kan bestaan uit: een bepruikte countertenor die een Franse aria zingt, een Walküre die géén Wagner zingt, tien flarden van operapartituren gespeeld door een tiental instrumentalisten, rollende stenen, en het decor van een tuin. Of een oerwoud. Of een opengesperde drakenbek.

Met het tweeluik Europeras 1&2 (1987) schrijft de Ruhrtriënnale muziekgeschiedenis. Het Duitse kunstenfestival, enigszins vergelijkbaar met het Holland Festival, heeft een enorme logistieke klus op zich genomen: naast tien zangers en dertig instrumentalisten zijn het vooral de ruim dertig fysieke decors die een opvoering van Europeras 1&2 tot een grote zeldzaamheid maken.

Binnen het oeuvre van de Amerikaan Cage, die dit jaar honderd jaar zou zijn geworden, is Europeras 1&2 de grote tegenhanger van het beroemde 4’33”. Is die ruim vier minuten stilte een soort zenboeddhistische gewaarwording van het omgevingsgeluid, Europeras blijkt een eindeloze kakofonische stapeling van fragmenten uit de Europese operageschiedenis. Via toevalstechnieken en een onverbiddelijke klok wordt de voorbedachte rade uitgesloten. Maar is het daarmee een ode aan de opera, of eerder een ridiculisering van het genre waarbij muziek tot groteske geluidsbron wordt gereduceerd?

De virtuoze regie van Heiner Goebbels, de nieuwe intendant van de Ruhrtriënnale, suggereert een enthousiaste hommage. Net als Cage is Goebbels een vernieuwer die alle elementen van het muziektheater gelijkwaardig wil maken, zoals in het Holland Festival 2009 ook bleek uit zijn ongrijpbare I went to the house but did not enter. De regisseur lijkt zichzelf uit te gummen, de theatrale krachten hun werk te laten doen en het publiek zo volledige interpretatievrijheid te schenken.

Alleen al de oude industriehal in Bochum is spectaculair, met een diepte van tientallen meters waar het publiek bijna in wordt gezogen. Terwijl in Europera 1 de negentig minuten aftellen en de aria’s klinken, toveren vijfentwintig assistenten met de constante op- en afbouw van klassieke decors middels kabels, doeken en vorkheftrucks. Sjablonen en lichteffecten creëren een spel van schaduwen en associaties. Zo wordt de Jahrhunderthalle een magische tijdloze operafabriek. Onbedoelde interacties zijn soms zeer komisch: een zanger komt aanrennen net wanneer een rood gordijn voor zijn neus valt.

Europera 2 is juist sober en verstild. Tegen een klein doek wordt een gegeneraliseerd Europees stadscentrum geprojecteerd, waar de in zwart geklede zangers scherp tegen afsteken. Zij lijken ondanks de muzikale stapeling toch een hecht ensemble te vormen. Uit 128 opera’s wordt zo in één avond de essentie gedestilleerd: de combinatie van muziek, beeld en tekst die tot onbenoembare prikkelingen leidt.