Bevlogen strijder voor nieuwe muziek

Zonder hem was het Muziekgebouw aan ’t IJ er nooit gekomen. Twintig jaar ijverde hij voor een huis voor Nederlandse ensembles.

Hij was een volhouder en een bevlogen perfectionist. Dat alleen verklaart waarom het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam überhaupt ooit is gebouwd. Jan Wolff, oud-directeur van De IJsbreker en van het Muziekgebouw aan ’t IJ, overleed woensdag. Hij werd 70 jaar.

Bij zijn pensionering in 2008 werd Wolff omarmd als ‘opperherbergier der Nederlandse ensembles’ en inderdaad: zonder Wolff was de geroemde Nederlandse ensemblecultuur vermoedelijk dakloos gebleven. Wolff was het tegendeel van de moderne allround manager; als in Amsterdam-West opgegroeid ex-hoornist bleef hij trouw aan de gedachte dat kunst ook gewoon keihard werken is, dat je dóór moet gaan en dat er alleen dan wat tot stand kan komen. Die volharding zette hij in voor zijn droom – een thuis voor de nieuwe muziek in Amsterdam.

Wolff begon aan de Weesperzijde, waar in 1979 Muziekcentrum De IJsbreker werd geopend: een propperig en vrij akelig klinkend zaaltje, maar wel één waar nieuwe muziek een eigen plek vond. Het aantal wereldpremières dat er klonk is niet te tellen. Wolff timmerde zelf mee aan de bouw en was de eerste om in te zien: eigenlijk is dit te amateuristisch. Er moest iets beters komen. Een professioneel geoutilleerde middenzaal, kleiner dan de Grote, maar groter dan de Kleine Zaal van het Concertgebouw. Hij beijverde zich er bijna twintig jaar voor, doorstond talloze vergaderingen met beleidsmakers, adviesraden en bouwers en mocht zich in 2005 de eerste directeur noemen van het fonkelnieuwe Muziekgebouw aan ’t IJ, voor 60 miljoen opgetrokken aan de Piet Heinkade.

De feestelijke opening maakte geen einde aan voortdurende discussies over noodzaak, functie en exploitatiekosten van het Muziekgebouw. Steeds ging het om hetzelfde: hoe maak je van het Muziekgebouw tegen beheersbare kosten een muziekcentrum waar muziek in al haar veelvormigheid kan bloeien en waar kruisbestuiving het toverwoord is?

Zijn doorzettingsvermogen, het ware fundament onder het Muziekgebouw, moest Wolff vanaf 2001 ook inzetten in een gevecht met nierkanker. Hij bleef levenslustig en strijdvaardig – ook in het kritisch oog waarmee hij de invulling van zijn Muziekgebouw na zijn pensioen bezag, en hekelde. Te ‘hardcore’, te weinig concerten, horecapotentie verkwanseld. Terwijl het Muziekgebouw was bedoeld als spiegel van de ensemblecultuur in zijn diversiteit.

Met de zware recente bezuinigingen op de ensembles is Wolffs zorg daarover alleen maar actueler.