Toezichthouder is te klantvriendelijk

Vanaf de jaren negentig zijn toezichthouders bedrijven en instellingen als klant gaan beschouwen. Sindsdien ging er veel mis ten koste van de werkelijke klant, de burger, vindt Ben Ale.

Illustratie Pavel Constantin

De voornaamste klant van een toezichthouder voor instellingen en bedrijven is de burger. Bij een ongeluk wordt hij getroffen in lijf en goed en in zijn portemonnee. Die burger is meestal niet deskundig en heeft zijn veiligheid in handen gegeven van de veel deskundiger geachte overheidsinspecties.

Maar vanaf het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw werd de geïnspecteerde instelling steeds meer als klant van de inspecties beschouwd. En de klant is koning. Inspecties werden van tevoren aangekondigd. Er kwam één loket. Het voldoen aan wet- en regelgeving werd primair niet door sancties afgedwongen, maar door opvoeden en coaching. Dat is in allerlei bedrijfstakken niet goed afgelopen.

In de financiële wereld deden accountants naast controle van de boeken aan financiële advisering. Dat leidde tot steeds inniger contacten tussen bedrijven en accountants. Totdat uitkwam dat accountants de boeken niet meer goed controleerden en zelfs adviezen gaven voor creatief bankieren. Dit heeft nu tot hoge boetes voor sommige accountantskantoren geleid en tot verbod op vermenging van controle en advies.

Ook met toezicht op ziekenhuizen ging het zo. Totdat slechte schoonmaak en slecht onderhoud tot zoveel problemen leidden dat men toch maar weer onverwacht en op onverwachte plaatsen ging inspecteren.

In het eindrapport over de ramp met de Fukushimareactor wordt hetzelfde geconcludeerd: de overheid en het bedrijf werkten te nauw samen (NAIIC, 2012 ). De bedrijven aanmerken als klant maakt dat de bedrijven op den duur als koning klant worden behandeld.

In de chemische sector heeft zich dezelfde ontwikkeling voorgedaan. Ook daar is de VROM-inspectie tot de conclusie gekomen dat de toezichthoudende overheden te dicht tegen de bedrijven aan schurkten en de aangename omgang is omgeslagen in te dienstbare toegeeflijkheid. Bovendien hebben de inspecties voor handhavingsacties steeds vaker toestemming van het bevoegd gezag nodig, waardoor ze hun onafhankelijkheid kwijtraken.

Mede daardoor konden bij bedrijven zoals Odfjell en Chemie-Pack soms tientallen jaren gevaarlijke situaties bestaan die de inspecties hadden moeten zien en beëindigen.

Naar aanleiding van deze affaires is de discussie over de rol van de inspecties actueel geworden. En in die discussie worden argumenten ingebracht die tegen een strenger optreden pleiten.

Het eerste argument is dat absolute veiligheid niet bestaat. Dat klopt, en dat wordt in wet- en regelgeving dan ook niet nagestreefd.

Wat wel wordt nagestreefd, is een aanvaardbaar niveau van veiligheid. Daar zijn de regels voor en daarom moeten die worden gehandhaafd. Dat is vergelijkbaar met het verkeer. Daar is de maximumsnelheid ook niet nul kilometer per uur. Maar wie te hard rijdt, rijdt onveilig, wordt geflitst en krijgt een boete, met als doel dat iedereen met een aanvaardbare snelheid rijdt.

Het tweede is dat inspecteurs toch niet alles kunnen zien. Dat klopt ook, maar er is een groot verschil tussen niet alles kunnen zien en helemaal niets zien. Bij Odfjell bleek uiteindelijk dat het bedrijf zo gevaarlijk was dat het onmiddellijk moest worden gesloten.

Het derde is dat inspecties duur zijn. Ongelukken zijn echter veel duurder. De milieuschade van de brand bij Chemie-Pack was 80 miljoen euro. Daar kun je 80 jaar voor inspecteren. Uit overzichten van de EU blijkt bovendien dat het aantal ongelukken niet afneemt en de schade toeneemt. Ook in Nederland.

Het is dus niet zo verstandig om verder te gaan op het pad van de klantvriendelijkheid. Toch lijkt dat bij de vorming van de regionale uitvoeringsdiensten (RUD) te gebeuren. Er komt niet alleen één loket voor de inspecties. Ook het bevoegd gezag gaat plaatsnemen achter hetzelfde loket, zodat de scheiding tussen politieke besluitvorming over het verlenen van een vergunning en onafhankelijk toezicht verloren gaat. In het overheidstoezicht op de chemie beschouwt men kennelijk de bedrijven nog steeds als de klant. Terwijl dat de werknemer en de omwonende zouden moeten zijn.

Ben Ale is hoogleraar veiligheid en rampenbestrijding aan de Technische Universiteit Delft.