Eerste stukjes

Een mooi moment voor iedere verzamelaar: oud, vergeten werk ontdekken. Ruud Broens, prominent Carmiggelt-collectioneur, overkwam het toen hij op de webdienst ‘Historische kranten’ van de Koninklijke Bibliotheek kranten uit de periode 1930-1940 doorzocht op bijdragen van Simon Carmiggelt.

In nummers uit 1931 van Voorwaarts, een sociaal-democratisch dagblad, ontdekte hij vier ondertekende verhaaltjes van Carmiggelt. De eerste – van 18 mei 1931 – bleek foutief ondertekend met S. Garmiggelt, bij de andere was de naamsvermelding correct. De stukjes waren verschenen in de rubriek Het verhaal van de dag, waarin wisselende schrijvers over allerlei onderwerpen schreven. Vermoedelijk heeft de toen 17-jarige Carmiggelt de stukjes opgestuurd naar de krant. Het was in een periode dat hij als leerling op de middelbare school mislukte.

Zijn eerste echte cursiefjes zou hij pas in 1936 schrijven, drie keer per week in de rubriek Kleinigheden van het ook al sociaal-democratische dagblad Vooruit, de Haagse editie van Het Volk, waar hij eind 1931 in dienst was getreden.

Henk van Gelder, de biograaf van Carmiggelt, zag de vier stukjes uit Voorwaarts ook voor het eerst. Hij ziet er „fletse echo’s van de jonge Tsjechov” in: eerder curiosa dan pareltjes. Dat kan ik onderschrijven, maar het blijft interessant om te zien hoe Carmiggelt zichzelf test, op zoek naar de beste vorm voor zijn schrijftalent.

Dat hij ooit bij het cursiefje zou uitkomen, stond toen nog allerminst vast. Van Gelder beschrijft hoe Carmiggelt bij zijn eerste werkgevers vooral een gretige allround-leerling-verslaggever was.

Uit deze verhaaltjes voor Voorwaarts blijkt dat zijn ware ambitie zich niet liet bedwingen: schrijven als zijn voorbeelden Herman Heijermans en Anton Tsjechov. Bij Tsjechov moeten we dan denken aan de schrijver van de korte, kluchtige, soms ook wrange schetsen uit het begin van zijn oeuvre.

Het is niet Tsjechovs interessantste werk, maar Carmiggelt moet gefascineerd zijn geweest door die wereldjes van het menselijk tekort die Tsjechov daar op enkele pagina’s neerzette. Ook bij Carmiggelt dragen de personages (quasi-)Russische namen: Wladen Verlowitz, Serge Karin, Iwan Sergewitz, Fedor Fedorwitz.

Hier en daar komt de latere stilist Carmiggelt al om de hoek kijken, zoals in de beginalinea van Serge Karin zoekt zichzelf: „De journalist Serge Karin betrapte zich er op, dat hij bij het thuiskomen met een sportieve veerkrachtigheid van zijn fiets sprong. Hij had daarbij het hoofd min of meer opgeheven gehouden en gevoeld dat de wind hem door de haren speelde. Zoo maakte hij, dat wist hij pertinent zeker, den indruk een jong en veerkrachtig persoon te zijn, terwijl hij in werkelijkheid zoo stram en zoo lui was als een grijsaard.”

Dit verhaaltje over Serge Karin was voor mij het beste van de vier. Karin komt tot de ontdekking dat hij zich altijd als een poseur gedraagt: „Ik speel telkens het een of ander type, maar mezelf ben ik nog nooit geweest.” Het gaat hem maar om één ding: „Wat zullen de menschen zeggen?”

Ruud Broens bundelde de vier verhaaltjes in het boekje Het verhaal van vandaag. Omdat het een goed doel betreft, genaamd Simon Carmiggelt, vermeld ik voor liefhebbers de volgende mercantiele (zo zou Carmiggelt ze noemen) gegevens: 9,50 euro op rekening 4925648 t.n.v. R.A. Broens, Amsterdam. Uiteraard zolang de voorraad – 100 exemplaren – strekt.