Carnaval voor moslims

‘Gelukkig Suikerfeest!” wens ik mijn vrienden via Facebook. Daarna belast ik het Nederlandse telefoonverkeer door mijn familieleden te bellen of te sms’en. Ik spoed me naar het Centraal Station, om naar mijn moeder te reizen, die met koekjes op me zit te wachten, maar er is ellende op het spoor. Dan maar met een groep vrienden richting een stadsstrand in Amsterdam-Noord. Ik smeer broodjes, bestel drankjes en deel gelukswensen uit. De strandtent draait een gouden omzet.

Hiermee heb ik mij schuldig gemaakt aan islamisering. Dat hoor ik zondagavond. Volgens de Partij voor de Vrijheid laat ik „de joods-christelijke maatschappij buigen voor een islamitisch ritueel dat tal van maatschappelijke terreinen op een zeer negatieve wijze raakt”. Het spijt me. Ik wil niemand islamiseren. Wat ik wil, is feest vieren met familie, vrienden, collega’s. Een islamitische variant van carnaval, zonder verkleedkleren, maar wel op je paasbest. En met het verschil dat er onder de rivieren eerst wordt gefeest en daarna pas gevast. In het „geïslamiseerde deel van Nederland” is het andersom.

Tijdens mijn studententijd in Maastricht maak ik van dichtbij mee hoe maanden van tevoren allerlei carnavalsvoorbereidingen worden getroffen. Liederen worden fanatiek ingestudeerd, prinsen verkozen en er worden waanzinnig spectaculaire wagens gebouwd. Vaak sluiten winkels eerder hun deuren of nemen werknemers ziekteverlof. Ook is de parel van Zuid-Limburg een aantal dagen voor en na de feestelijkheden erg vies. In mijn propedeusejaar waag ik het om op eerste Carnavalsdag niet verkleed naar de supermarkt te gaan. Vier grote Limburgse jongens, verkleed als clowns, blokkeren de uitgang. Ze proberen boos te kijken en hebben grote plastic bekers bier in hun handen. De grootste jongen verwijt mij – met dubbele tong en in onvervalst Mestreegs – dat ik me zeker te goed voel om mee te doen. Ik gebaar verontschuldigend naar de tas met boodschappen. Agressief carnavalstuig, denk ik, maar die gedachte probeer ik te onderdrukken. Deze clowns mogen het niet voor de rest verpesten. Ook al beginnen ze plagerig een polonaise met me. Ik wurm mezelf los. Hun gespeelde boosheid maakt plaats voor iets anders: teleurstelling. Sorry, verontschuldig ik mij tegenover de vier hangende clownskoppies, ik doe echt niet mee. Aan deze onzin. Dat laatste floept eruit.

De grootste clown reageert: „Jij.... Jij... vieze veule.. Holländer!”

De daaropvolgende jaren doe ik ruim op voorhand mijn carnavalsboodschappen en stort ik me met veel plezier in het feestgedruis.