Zomerlezen

Oliver Sacks, De man die zijn vrouw voor een hoed hield. Meulenhoff, 1986. Paperback 264 blz. In herdruk. Vertaling P.M.Moll-Huber.

‘Warm menselijke, klinische vertellingen’ waren populair in de negentiende eeuw, schrijft neuroloog-schrijver Oliver Sacks in het voorwoord. Hij was de eerste die een miljoenenpubliek met beschrijvingen van patiënten die een botte toeschouwer ‘gestoord’ zou noemen.

In elk van de 24 hoofdstukken in zijn boek vertelt Sacks over een patiënt, soms twee. Een jongeman is ervan overtuigd dat zijn linkerbeen niet van hem is. De bejaarde Jimmie G. herinnert zich sinds zijn twintigste niets meer en denkt dat de Tweede Wereldoorlog net is afgelopen. Musicus dr. P pakt zijn vrouw bij haar hoofd en probeert het op te zetten alsof het zijn hoed is.

Patiënten met zulke afwijkingen helpen de hersenwetenschap verder, maar dat is niet Sacks’ belangrijkste aandachtspunt. Het boek is deels een rariteitenkabinet, dat fascinatie voedt over welke fratsen het menselijk brein soms uithaalt. Maar Sacks weet vooral een toon te treffen die, inderdaad, warm en menselijk is. Hij deelt met de lezer de gesprekken die hij met patiënten voert, zijn pogingen om zich in hen in te leven en een juiste diagnose en behandeling te vinden. Wat dat laatste betreft is er wel veel veranderd sinds de jaren tachtig. De lezer vraagt zich af: hoe gaat dat tegenwoordig? En zou dr. P nog leven?

Hester van Santen