Zaaien om te oogsten

Hulporganisaties hebben niet langer het rijk alleen in de derde wereld. Want bedrijven zijn er ook steeds vaker actief met hulpprojecten. Zij zien geen zielige mensen, maar toekomstige consumenten.

Chemieconcern DSM en supermarktketen Albert Heijn doen eraan. Achmea, Unilever, Rabobank en een trits andere bedrijven ook: ontwikkelingshulp. Maar dan anders. Ze combineren idealisme met welbegrepen eigenbelang.

Want voor die bedrijven zijn ontwikkelingslanden niet alleen oorden waar ze aan hun groene, sociale imago kunnen werken. Het zijn groeiende economieën, waar consumeren in opkomst is en waar dus wat te winnen valt. Landen waar een nu opgebouwde voorsprong zich op den duur kan uitbetalen. Waar geen zielige mensen wonen, maar potentiële consumenten.

Non-gouvernementele organisaties (ngo’s) hebben niet langer het alleenrecht op ontwikkelingsprojecten, zegt Anniek Mauser, directeur duurzaamheid bij levensmiddelenconcern Unilever. „De rol van bedrijven wordt groter, zeker nu de overheid zich terugtrekt.” En de ngo’s reageren daar verschillend op. De een voelt zich bedreigd, de ander zet zwaar in op de samenwerking met het bedrijfsleven.

DSM ontwikkelt samen met de Verenigde Naties (VN) voedingsproducten met extra vitamines en mineralen, in de strijd tegen honger. Of dat winstgevend is, moet blijken, maar nu al leert het concern hoe het er in ontwikkelingslanden aan toe gaat. Albert Heijn investeert met hulp van ontwikkelingsclub ICCO via een stichting in Afrikaanse gebieden waar de keten ananassen en avocado’s vandaan haalt, zodat die in de toekomst ook nog geleverd worden.

Ook Achmea heeft een stichting, de Achmea Foundation, die een half procent van de winst (als die er is) mag besteden aan projecten – vorig jaar bijna 5 miljoen euro. Sinds kort richt de stichting zich op microverzekeringen in landen als India, Senegal en Burundi. „Dat werd binnen Achmea tot een paar jaar geleden nog als geitenwollensokkenactiviteit gezien”, zegt Annette Houtekamer, manager microverzekeren bij Achmea.

Nu is het steeds meer een kwestie van ondernemen. Het gaat om potentieel belangrijke markten, zegt Houtekamer. „En mochten de clubs die we steunen ooit volwaardige partners worden, dan zijn we er van begin af aan bij geweest.”

Unilever is naar eigen zeggen een stuk verder. Duurzaamheid is het businessplan, zegt bestuursvoorzitter Paul Polman altijd. Een paar jaar geleden organiseerde het bedrijf met het zeepmerk Lifebuoy zogenaamde handenwascampagnes. Met hulp van organisaties als Unicef worden kersverse moeders in klinieken in India en Indonesië gewezen op het belang van hygiëne.

„Het aantal mensen dat wereldwijd producten van Unilever gebruikt is enorm, en daarmee ook het bereik van de programma’s die wij aan die producten koppelen”, zegt Anniek Mauser. Zo claimt Unilever 48 miljoen mensen te bereiken met zijn hygiëneboodschap, en indirect een vijfvoud daarvan. Getallen waarvan veel ngo’s alleen maar kunnen dromen.

Deze projecten zijn geen liefdadigheid, benadrukt Mauser. „Wanneer zeep in Afrika en Azië op grote schaal juist gebruikt wordt, heeft dat een substantiële impact op het voorkomen van ziekte en sterfte. Daarmee groeit de welvaart én het aantal mensen dat de producten van Unilever kan kopen.”

Ze geeft nog een voorbeeld: een project waarbij Unilever de oogsten opkoopt van in totaal 500.000 kleine boeren. Het concern werkte voorheen hoofdzakelijk met grote landbouwproducenten, maar concludeerde dat juist bij kleine boeren het grootste groeipotentieel zit, boeren die nu vaak nog heel inefficiënt werken en dus een inhaalslag kunnen maken, mede met door Unilever gefinancierd zaaigoed en onderwijs. Mauser: „Dit alles draagt weer bij aan economische ontwikkeling, waardoor er meer ‘basisconsumenten’ komen die onze producten kopen.”

Volgens Mauser verdient dit model, dat zij op termijn „het enige houdbare” noemt, zich nu al terug. De meest ‘duurzame’ merken van Unilever, zoals de Pureit-waterfilters en Lifebuoyzeep, vooral populair in opkomende landen, zijn ook de hardst groeiende. De winststijging van 11,5 procent die Unilever onlangs bij de presentatie van halfjaarcijfers bekendmaakte, werd voor een belangrijk deel bereikt in landen als Indonesië en India.

Het activisme van commerciële bedrijven in ontwikkelingslanden is uitstekende pr, zou je zeggen. Maar in de praktijk geven ze er weinig ruchtbaarheid aan. Albert Heijn investeerde 1,7 miljoen euro in de positieverbetering van Afrikaanse landarbeiders, maar in de supermarkt zul je daar weinig van merken. Dat Achmea aan microverzekeringen doet is onder de klanten van de verzekeraar nauwelijks bekend. Houtekamer: „We willen het eerst goed opzetten en bewijzen dat Achmea het kan, dan pas gaan we er op grotere schaal over communiceren.”

Volgens Myrtille Danse, directeur van het BoP Innovation Center – dat zich onder andere richt op de samenwerking tussen bedrijven, overheid en ngo’s om de positie van de allerarmsten te verbeteren – vrezen veel bedrijven nu nog negatieve publiciteit. Zo van: oh, dus u verdient geld aan de armen? „Terwijl het natuurlijk legitiem is dat een bedrijf winst maakt en daarvoor nieuwe markten opzoekt”, vindt Danse.

Maar winst maken en bijdragen aan sociaal-economische ontwikkeling zijn niet met elkaar in tegenspraak, zegt Lau Schulpen, onderzoeker van het Centre for International Development Issues Nijmegen (CIDIN). „Je moet wel kritisch kijken naar wat bedrijven doen”, zegt hij. „Hier en daar leuke projecten sponsoren, zoals veel bedrijven via hun foundations doen, zet weinig zoden aan de dijk.”

Maar dat meer bedrijven hun productieketen op een andere manier organiseren en ook eindelijk belasting gaan betalen in ontwikkelingslanden waar ze actief zijn, levert veel op. „Of dat nou noodgedwongen is of uit eigen overtuiging”, zegt Schulpen. „Het werd ook wel eens tijd.”

De samenwerking tussen bedrijfsleven en ngo’s is kwetsbaar. Bedrijven klagen over hulporganisaties met twee gezichten. Het ene moment adviseren ze, het volgende moment klagen ze aan. Ngo’s lijken zich nog niet altijd goed raad te weten met de introductie van commerciële belangen in hun wereld. Want is het een zegen of een pact met de duivel?

Het Wereld Natuur Fonds is juist weer een knuffelpartij, waar bedrijven gemakkelijk mee samenwerken, weet Danse. Zo besloot het WNF ondanks eerdere bezwaren het keurmerk voor verantwoorde soja te ondersteunen, terwijl daar óók genetisch gemodificeerde soja onder valt. Het is voor de club een manier om een vinger in de pap te houden en te werken aan andere doelen, zoals het voorkomen dat natuurgebieden in landbouwgrond veranderen.

Met bedrijven van binnenuit werken aan verandering of vanaf een afstandje schreeuwen – volgens Schulpen is het niet duidelijk wat beter werkt. „Kijk naar chocolade, dat is nu bijna allemaal gecertificeerd. Geweldig, maar komt dat door nauwe samenwerking of door druk van buitenaf? Dat is nooit goed onderzocht.”

Wel duidelijk is dat ngo’s zichzelf door het snel afnemende draagvlak voor ontwikkelingshulp opnieuw zullen moeten uitvinden. Deels hebben ze die ontwikkeling ook aan zichzelf te danken. Met eenvoudige slogans („Koop een geit, red een leven”) hebben ze bijgedragen aan een simpel beeld van ontwikkelingssamenwerking. „Dat beeld is irreëel en dat weten de clubs zelf ook wel”, zegt Schulpen. „Maar wanneer je jarenlang vertelt dat ontwikkeling zo makkelijk is als het geven van een geit, waarom is het dan nu niet opgelost?”

Danse hoort het ook steeds vaker van bedrijven: ngo’s hebben veertig jaar de tijd gehad en veel problemen zijn nog steeds niet opgelost, nu moeten wij het maar doen. „Nu de overheid zo hard roept ‘het bedrijfsleven is aan zet’, denken bedrijven dat ze het alleen kunnen.”

Maar ook dat is een simplistische weergave van de werkelijkheid. De ngo’s hebben bedrijven wel degelijk wat te bieden. Ze hebben lokale netwerken, ze kennen de culturele context van ontwikkelingslanden en ze kunnen bedrijven doorverwijzen naar partijen waarmee ze goede ervaringen hebben.

„Zaken als mensenrechtenschendingen staan te ver af van de kernactiviteiten van bedrijven”, zegt Schulpen. „Je kunt niet verwachten dat het bedrijfsleven in die landen overheidstaken gaat helpen versterken. Dat brengt kosten met zich mee die ze niet terug kunnen verdienen.” En zonder omzet geen idealisme.

Lees ook ‘Laat ontwikkelingshulp niet over aan bedrijven’ op Opinie, pagina 16&17