We moeten praten

Onlangs hield de journalist Frénk van der Linden bij het tv-programma De wereld draait door een pleidooi voor conversatielessen op school. Hij stelde dat alle kinderen op school zouden moeten leren hoe échte gesprekken te voeren. Ze leren rekenen, taal en schrijven als basisvaardigheden. Maar ze weten niet hoe ze met anderen, bijvoorbeeld hun ouders, kunnen praten over zaken die er écht toe doen.

Mooi gezegd en herkenbaar. Als conflictmijdend type ben ik veel lastige gesprekken uit de weg gegaan. En heb ik veel dingen niet (durven) vragen. Hadden conversatielessen op school kunnen helpen? Wie weet.

Natuurlijk, we communiceren ons tegenwoordig suf. Maar communicatie is iets anders dan converseren. Een conversatie is een gesprek tussen twee of meer mensen, waarbij oog- en lichaamscontact mogelijk is. Men luistert naar elkaar, reageert op elkaar en wisselt zo ideeën en gevoelens uit. Een conversatie kost tijd en inspanning. Je kunt het niet ergens bij doen en het kan niet in je eentje, achter een computer bijvoorbeeld. Een gesprek is verbale choreografie: je reageert op elkaar. Alleen maar goed luisteren, is niet genoeg.

In de 18-de eeuw wemelde het van de handboeken en essays van onder meer Jonathan Swift, Joseph Addison en Richard Steele die onderstreepten hoe belangrijk conversatie is voor je psychische gezondheid en je ontwikkeling. Conversatie geeft niet alleen plezier, en is nodig voor een gezonde geest, maar door veel denkers en schrijvers werd ook een verband gelegd tussen conversatie en politieke stabiliteit.

Oorlogen of scheidingen kunnen we hierdoor misschien niet voorkomen, maar als de vraag ‘We moeten praten’ tegenwoordig eerder een waarschuwing is dan een uitnodiging (zeker als hieraan ‘onder vier ogen’ wordt toegevoegd), dan is er het ergens wel goed mis gegaan. We hebben als samenleving de kunst van het gesprek verwaarloosd. De harde levenslessen die op ons pad komen, maken dat iedere keer opnieuw duidelijk.

Filosoof en journalist