Tegen het gelddenken

Dat geld niet alleen maar een middel is om het economisch verkeer te vergemakkelijken, weet ergens iedereen wel. Er gaat van geld een eigenaardige aantrekkingskracht uit die reeds door Aristoteles wordt begrepen in samenhang met de ondeugd van het ‘altijd maar meer willen’. Wie leeft voor geldelijke rijkdom heeft daarom ook nooit genoeg.

In de moderne kapitalistische samenleving wordt het geld als kapitaal een zelfstandige systeemmacht die alles – natuur, goederen, diensten, arbeid, mensen, landen – aan zich onderwerpt en tot middel maakt voor z’n eigen expansie. Deze geldmacht wordt in Europa vrijwel tegelijk met de opkomst van de democratie politiek beantwoord door de moderne staat met haar sociale wetgeving. Daarmee ligt echter in de moderne democratie een tendens tot ‘gelddenken’, waarin nu juist het gemeenschappelijk goed op lange termijn uit het zicht dreigt te raken.

Die tendens is evenwel een bedreiging voor die democratie zelf. De zogenoemde neo-liberale revolutie uit de jaren tachtig was alleen mogelijk dankzij precies het geïndividualiseerde gelddenken. Zij werd aan het publiek ‘verkocht’ als iets waar de burger als individuele consument beter van werd. De deregulering van de financiële wereld, de (quasi-)vermarkting van nutsbedrijven, het onderwijs, woningbouw en zorg, en bij dit alles het denken in termen van ‘efficiency’vierden hoogtij.

De huidige malaise in de financiële wereld is slechts een uitingsvorm van een algehele mentaliteit waarin een besef van en zorg voor zoiets als een gemeenschappelijk goed verdwenen is. Bij gebrek aan een gedeelde oriëntatie daarop raakt ook de politiek zelf in de ban van het geld en wordt zij ten slotte daardoor gedicteerd. Een politieke orde die haar maatregelen vooral verkoopt in termen van geld offert zelf de vrijheid en het gemeenschappelijk goed – oftewel de politiek en de democratie – op aan datzelfde geld. Democratie ontaardt dan in plutocratie – de heerschappij van het geld en het gelddenken.

Het is geen toeval dat we dat precies binnen Europa – en vooral ook rond de euro – zien gebeuren. Het is een illusie te menen dat daarmee Europa als een gemeenschap vorm kan krijgen. Die gemeenschap wordt er juist door ondermijnd.

Filosoof aan de VU en publicist